Ik hoef geen gelijk

Blauwe gaai

Blauwe gaai

De zon scheen en de blauwe gaai en de paardenvlieg zaten in het gras aan de oever van de rivier.

Boven hen ruiste de wilg, voor hen kabbelde het water, terwijl in de verte de lijster zong. ‘Volgens mij,’ zei de blauwe gaai, ‘ben ik nu gelukkig.’ De paardenvlieg zweeg en kauwde op een grassprietje. ‘Ik denk,’ zei de blauwe gaai, ‘dat ik nooit gelukkiger kan zijn dan nu.’ ’Nou…’ zei de paardenvlieg, ‘en als nu eens de otter langs zou komen met een portie krokant gebakken kibbeling met ravigotesaus, geserveerd in een mooi vormgegeven en beschilderd bakje van Chinees porselein, met een briefje erop voor de blauwe gaai en de paardenvlieg.’

‘Ja,’ zei de blauwe gaai. ‘dan zou ik nóg gelukkiger zijn. Maar gelukkiger dan dán is onmogelijk.’ ‘Nou…’ zei de paardenvlieg. ‘En als de gierzwaluw nu eens twee koude biertjes zou komen brengen met een portie bitterballen in een schaaltje, met een toef Limburgse mosterd met die fijne Bourgondische smaak en in natuurlijke azijn gewelde mosterdzaadjes.’ ‘Ja,’ zei de blauwe gaai. ‘Je hebt gelijk. Dan zou ik nog gelukkiger zijn…’

De blauwe gaai zweeg. Hij keek naar het glimmende water en dacht dus ik ben eigenlijk helemaal niet zo gelukkig. Hij keek schuin opzij naar de paardenvlieg. Maar de paardenvlieg had zijn ogen dicht en kauwde op een grassprietje en liet de zon op zijn gezicht schijnen. Wat ben ik dan? Als ik niet heel gelukkig ben… Het was alsof er een wolk voor zijn gezicht schoof. Hij wist geen antwoord op die vraag.

In de verte zweeg de lijster en begon de nachtegaal te zingen, zomaar, midden op de dag. Hé, dacht de blauwe gaai, wat zou dat zijn? Hij voelde iets bewegen in zijn ogen. Tranen? Dacht hij. Zijn dat tranen? Hij zuchtte diep. Ik zal maar niet meer denken, dacht hij. Maar hij wist dat het heel moeilijk was.

Na een hele tijd zei de paardenvlieg tegen de blauwe gaai: ‘Wat liggen we hier heerlijk.’ De blauwe gaai zei niets. ‘Ik heb nog nooit zo heerlijk gelegen.’ Ik wilde, dacht de blauwe gaai, dat ik één keer op een tak zat, maar één keer en dat de paardenvlieg beneden stond en naar boven riep: je hebt gelijk. Ik geef het toe, je hebt helemaal gelijk.

En toen begon het langzaam te sneeuwen.