De Spreeuw en de Haan

De Spreeuw

De kleine spreeuw

Op een dag nam de spreeuw afscheid van de haan. ‘Ik ga voor geruime tijd op reis,’ zei hij, ‘maar ik weet niet voor hoe lang.’ 

‘Ik neem maar zó afscheid dat het ook voor heel lang kan zijn.’ Ze schudden elkaar vijf keer de hand en omhelsden elkaar ook zoals het bij een afscheid voor lange tijd hoort. ‘Laat je nog iets van je horen?’ vroeg de haan. De spreeuw had zich al omgedraaid en riep, terwijl hij het bospad afliep: ‘Ja!’

Even later was hij uit het gezicht verdwenen en bleef de haan alleen achter. Wat zou het voor reis zijn? Dacht hij. Maar hij wist hoe weinig je kunt zeggen van reizen die je zomaar gaat doen. Niet lang daarna bracht de wind een brief van de spreeuw aan de haan.

Beste Haan,
Ik ben nu op reis. Ik heb je beloofd dat ik iets van mij zou laten horen. Als je straks mijn naam leest kun je me zachtjes horen fluiten.
Groetjes Spreeuw

Op dat moment dat de haan ‘Spreeuw’ las klonk er een zacht gefluit in zijn oren, dat onmiskenbaar het gefluit van de spreeuw was. ‘Spreeuw!’ riep de haan opgetogen. Hij draaide de brief om en om, keek tussen alle letters en toen in de envelop en wreef zelfs over de postzegel, maar er was geen spoor van de spreeuw te bekennen. De haan begon opnieuw te lezen, en weer hoorde hij een gefluit en plotsklaps herkende hij een melodietje. Het melodietje van spreeuw.

Hij deed de brief in de envelop en legde hem op tafel naast zijn bed. Hij moest heel ver weg zijn, dacht de haan. Maar hij denkt aan mij. De zon scheen en de haan ging boven op de hooiberg zitten. Maar tekens stond hij op en ging hij naar binnen om de naam van spreeuw opnieuw te lezen, en telkens als hij het woord spreeuw las hoorde hij het fluiten van de spreeuw, die van ver weg iets van zich liet horen. De haan schudde zijn hoofd, zijn ogen glinsterde en hij dacht, spreeuw, spreeuw!