Zo ziek

Zo Ziek

Kijk dan hoe ziek ik ben

Hij was op bezoek bij de vriendin van zijn schoonvader, daar hij beloofd had op diens sterfbed af en toe bij haar langs te gaan. Ze was lelijk, chagrijnig en had een wrat op haar neus, maar woonde nog steeds zelfstandig waar ze driftig voortmeanderde.

Hij ging bij haar op visite. Ze was al een tijdje ziek en nu was ze ook nog van het keukentrapje gevallen en daarom had hij, zo rond Sinterklaastijd, een paar mooie cadeautjes meegenomen. Toen ze de deur open deed, vroeg hij haar: ‘Hoe gaat het?’ ‘Zie je dan niet dat ik ziek ben.’ Als surprise naast de gebruikelijke biertjes, die hij altijd mee nam als hij bij haar op bezoek ging, had hij ook een chocoladeletter, verpakt in een zakje van jute mee genomen. Hij zette de biertjes in de koelkast en zij vroeg op barse toon: ‘Wat doe je daar?’ Ja, wat deed hij daar. De vorige keer zei ze: ‘Kun je ze niet meteen in de koelkast zetten’. Hij overhandigde haar de chocolade lekkernij en zei: ‘Van jute.’ ‘Ja dat weet ik ook wel,’ grauwde ze terug.

Hij zei: ‘Jute,’ zoals je buiten ook weleens tegen iemand zegt: ‘Lekker weertje,’ en niet met de veronderstelling dat ze dat niet wist. Ze had meterslange tenen waar je zo maar per ongeluk op stond. In dit geval -jute- omdat het al zo lang geleden was dat hij zelf jute had gezien, zoals vroeger toen steenkool nog aangeleverd werd in jute zakken door de kolenboer en natuurlijk de zak van Zwarte Piet. Ze zei: ‘Ben jij niets vergeten?’ Hij dacht van niet, maar zei niets terug. ‘Mijn verjaardag.’ Terwijl ze ook vergeten was om hem een berichtje te sturen. Enfin. 

Om de sfeer wat op te vrolijken vertelde hij haar een mop. Misschien kon ze daarmee lachen en bracht het wat licht in haar treurige leventje. Hij zei: ’Ik had ooit een rondleiding bij een banketbakkerij. Daar drukte een man plakjes deeg tegen zijn navel. Ik vroeg wat hij daar aan het maken is en hij zei navelkoekjes.’ ‘Navulkoekjes of navelkoekjes?’ vroeg ze. ‘Nee, navelkoekjes. Je weet wel waar jij er ook een van hebt. Ik zei tegen die bakker: ‘Wat goor!’, antwoorde die koekenbakker: “Moet je in december langs komen, wil ik je wel laten zien hoe we hier kerstkransjes maken”.’

Hij vertelde haar dat hij haar een mailtje had gestuurd en dat ze daar niet op gereageerd had en ze bitste: ‘Dat heb ik al geregeld. Je hoeft mij niet zulke mailtjes te sturen.’ ‘Nou toen ik vorige week bij je op bezoek was zei je dat het geen prioriteit had en dat je het ging doen, maar ik dacht misschien ben je daarna wel in slaap gevallen net als Doornroosje, want een paar dagen later was het nog niet geregeld.’ (En dat was niet de eerste keer. Als ze wat beloofd kan je er vergif op innemen dat je daar een eeuwigheid op kan wachten. Laatst zou ze hem een recept opsturen. Binnen vier dagen. Nou dat moet hij nu nog krijgen.)

Het is wel jammer, want het ziekbeeld greep haar zo aan dat zij er erg korzelig van werd en ze was al niet zo’n vrolijke klant. Hij moest dan altijd denken aan die twee cabaretiers waar hij een voorstelling van had gezien. Een van hen; Ivo de Wijs, lag op het toneel in een ziekenhuisbed. Hij kreeg bezoek van iemand die het gebruikelijke fruitmandje meebracht. Het leek ze leuk een spelletje tafeltennis te spelen, maar ieder bal die de bezoeker de patiënt toe speelde werd het publiek ingeslagen, waarop de bezoeker aan de zieke vroeg: ‘Waarom doe je dat?’ De patiënt keek hem stom verbaast aan en antwoorde nuchter: ’Ik ben ziek.’ 

En dat verklaart alles. Omdat je ziek bent mag je je gedragen als een klootzak, want je bent ziek en ook zielig, maar zo werkt dat niet. Hij kwam op bezoek met een lach en een cadeautje en als hij dan een grote bek krijgt is het gauw over. Een vriend van hem was ernstig ziek en binnen een paar maanden zou hij overlijden, maar die bleef de onverzettelijke vriendelijkheid zelf en daar kwam hij graag over de vloer, alhoewel het heel moeilijk is om iemand zo af te zien takelen. Hij hoopte maar dat hij daar aan terugdenkt mocht hij ooit ook onverhoopt ernstig ziek worden. De frequentie van zijn bezoekjes aan haar begon hij razendsnel af te bouwen, want het leven is te kort om je tijd te besteden aan zo’n naar mens, ondanks zijn belofte aan zijn schoonvader op diens sterfbed.