Wereldreis 8

Kapitein Bob

Kapitein Bob

Nu kapitein Coos Coeckebakker’s krachtige leiding ontbrak, omdat hij herstellende was van zijn kwetsuren, maakte zich een zekere onrust van de bemanningen en de officieren meester.

Het eens zo trotse eskader zou onder de zwakke leiding van zijn opvolger Adriaansz van der Prak naar een ramp opstomen. Om te beginnen trapten de kwaadwillende officieren in een val, die hun allen noodlottig zou worden. Van der Prak onderhandelde met een aantal radja’s, die hun kans schoon zagen om de Hollanders te decimeren. Van der Prak werd met een tiental officieren uitgenodigd voor een gastmaal, waarbij Adriaansz een kostbaar geschenk in het vooruitzicht werd gesteld. Met Coeckebakker’s bloed nog nauwelijks opgedroogd aan de bamboesperen van de inboorlingen, leek het ongelooflijk dat de uitnodiging zelfs maar werd overwogen, laat staan geaccepteerd.

Donderdag en Dinsdag, de tolken van Coos, die het verraad in de gaten hadden en diep bedroeft waren over het onrecht wat hun meester was aangedaan waarschuwden Coeckebakker en zijn onoverwinnelijken en ook de kapiteins Bourne en Descartes. Zij hadden die avond dienst of lagen al vroeg op bed of waren nog herstellenden van de slag in de Bloedzee. De stupiditeit van Van der Prak en de zijnen was zo groot, dat zij welgemoed en vrolijk naar de wal roeiden, met in hun achterhoofd de geschenken waar ze mee overladen zouden worden. Na een paar uur waren de meeste Hollanders dronken van de arak en zo zeer in beslag genomen door de charmes van de haremmeisjes, dat zij geen onraad roken of vermoeden. Tijdens de feestvreugde raakte het paleis in brand en de hele voorraad vuurpijlen, kiloknallers en voetzoekers ging de lucht in wijl korporaal Van Speijk zijn sigaar had uitdrukt in een houten bakje met krokante pauwenoogjes, in de veronderstelling van een asbak. Tijdens het gedruis en rumoer werden de aanwezige officieren aangevallen en de keel doorgesneden.

Alle gasten op twee na vonden de dood. Adriaansz wist zijn leven te rekken, door een hoog losgeld te beloven en de doofstomme predikant Naar de Kloten werd gespaard, omdat hij de dochter van de radja genezen zou hebben van haar maagdelijkheid. Mick en Bob hadden genoeg gezien en lieten de vier schepen het anker lichten en zeilden zo dicht mogelijk naar de kust. Vervolgens namen zij het paleis onder vuur. Op zeker moment smeekte Van der Prak vanaf het strand om niet meer te schieten, maar hem vrij te kopen. ‘Bob niet meer schieten, koop me vrij. Alsjeblieft.’ Hij zei de enige overlevende te zijn. ‘Ik ben de enige overlevende,’ waarbij hij Naar de Kloten vergat, die natuurlijk niets kon zeggen. Descartes overwoog wat hij moest doen. ‘Bob niet schieten, neem me mee. Ik ben je vriend. We zijn een team,’ smeekte Van der Prak. En toen dat niet lukte zei hij: ‘Mick jij bent een betere kapitein dan Descartes. Koop me vrij en ik zal voor altijd je vriend zijn.’ Bob Descartes keek Coeckebakker aan, die herstellende was en zich staande hield in de deuropening, ondersteund door Dinsdag en Donderdag en die schudde met zijn hoofd en streek met zijn rechterhand langs zijn hals, zodat hij bijna weer voorover viel. Descartes keek ook Bourne aan en die zei geluidloos: ‘Schieten’. Nu wist hij genoeg en gaf bevel voor nog een paar salvo’s en schoot het dorp in brand en het aanpalende bos en alles wat nog overeind stond.

Daarna lichtte hij het anker, Van der Prak achterlatend, gevolgd door de ander schepen. De manschappen waren behoorlijk aangeslagen door het optreden van Bob en Mick en de dood van de kwaadwillende officieren. De schepen verlieten de eilanden in staat van verwarring. Descartes en Bourne namen tijdelijk de leiding van de expeditie op zich en gingen op zoek naar de Specerijeneilanden. Kapitein Bob besloot één schip op te geven en de bemanning daarvan te verdelen over de drie andere schepen, omdat het resterende aantal zeelieden te gering was om vier schepen te bemannen. Het oudste schip De Bruine Ster werd opgeofferd en in brand gestoken, nadat het ontdaan was van zijn bruikbare lading en tuigage. Op een volgend eiland werden de Hollanders goed ontvangen. Deze sultan hield de opvarenden voor Denen, die hij graag in zijn land zag arriveren.

De sultan van Tidore en een aantal vorsten van Tenate sloten met Coeckebakker een verdrag van vrede en vriendschap, waarbij zij de Prins van Holland als hun soeverein erkende. De verdragspartners spraken ook af alles in het werk te zullen stellen om Portugezen, Spanjaarden en Engelsen uit de Molukken te verdrijven. Eerder hadden ze een jonk overvallen en de bemanning gegijzeld, de zes vrouwen gaf Bob aan de sultan van Tidore. Ook gaf hij de sultan een gebreide trui met het logo van de Vereenigde Oostindische Compagnie erop en die was met dit gebaar zo ingenomen, dat hij de schepen Amsterdam en Hollandsche Leeuw liet volladen met kruidnagels. Prompt maakte beiden schepen zoveel water dat de mannen aan de pompen hun werk niet aankonden. Toen duikers van de sultan het lek niet boven water kregen, werden de schepen gelost en op het strand getrokken om met pek de naden dicht te smeren. Het schip Amsterdam was onherstelbaar beschadigd en ook dit schip werd verbrandt, net als eerder De Bruine Ster. Nu waren er nog maar twee schepen over van de oorspronkelijke vijf. Hoe dit gaat aflopen lezen we in het volgende verhaal Wereldreis 9.

Wordt vervolgd