Wereldreis 6

Wereldreis

Kapitein Coos Coeckebakker

Coeckebakker zijn lijfspreuk was: Wie niet zijn leven tot op zekere hoogte een kind blijft maar een ernstig nuchter, bezadigd en verstandig man, kan een zeer nuttig en degelijk lid van de maatschappij zijn, doch wordt nimmer een genie.

Kapitein Coos achtte de tijd rijp om de radja te imponeren. Hij liet een paar stukken geschut aan land zetten en afvuren op het kokosnoten-bomenbos, zodat er alleen nog maar zwartgeblakerde en smeulende stronken bleven staan. Hij toonde dat een geharnaste Hollandse krijger niets te duchten had van zwaarden en dolken en waar de inlanders met pijl en boog naar hartenlust op mochten schieten om te laten zien dat de ridders onkwetsbaar was. Coeckebakker kreeg er niet genoeg van en geblinddoekt hakte hij varkens met zijn enorme zwaard met één slag doormidden, dit tot grote hilariteit van de plaatselijke inwoners. Ook werden er brandende kippen uit de lucht geschoten door zijn bemanning met pistolen en musketten. De Indonesiërs vonden de demonstratie fantastisch en genoten ervan. Coeckebakker, die hierover zeer in zijn nopjes was, nam voor de Prins formeel bezit van de gehele Archipel. Om gelukkig te zijn is het beter onze verlangens te wijzigen dan de wereld te ordenen, dacht kapitein Bob bij zichzelf.

Belangrijke ruilwaar waren ook de Indonesische meisjes. Zij bewerkten volkomen naakt de rijstvelden en hun aanblik was voor de zeelui onweerstaanbaar, vooral als ze voorover gebukt de rijst stonden in te planten. De mannen konden voor een spijker of een vishaak naar hartenlust vrouwelijk gezelschap krijgen. Op een dag flansten zijn bemanning een podium in elkaar, dat werd bedekt met tapijten uit de schepen. Te midden van aangesleepte palmen in potten werd er een troon geplaatst. Coos Coeckebakker kwam op in vol ornaat met een rode cape om, begeleid door vier ridders en vooraf gegaan door twee dwergen die speciaal hiervoor waren mee gekomen uit Holland en veel bekijks kregen, terwijl er vlaggen werden ontvouwen en flink werd getrompetterd en getrommeld. Vervolgens mocht de radja voor de troon knielen, zijn voeten kussen en trouw zweren aan de Prins der Nederlanden. Het nieuws verspreide zich razendsnel en de volgende dagen arriveerden van heinde en verre vele hoogwaardigheidsbekleders, die zich ook aan de magische riten wilden onderwerpen.

Voor Coos was de triomf compleet; hij had niet alleen een grote rijke archipel ontdekt, maar die ook gewonnen voor de kroon en dat zonder ook maar een druppel bloed te vergieten. Het succes steeg Coeckebakker een beetje naar zijn bol. In een roes legde hij zijn handen op de hoofden van zieken en gekwetsten die op wonderbaarlijke wijze genazen, waaronder ook de zoon van de radja, wat bijdroeg tot zijn goddelijke status bij de inboorlingen. Een van de radja’s van de omliggende eilanden beviel het niet dat een wildvreemde hier een beetje de gebraden haan uithing en tijdens een feestje kwamen er zes pramen op het schip De Bruine Ster af alsof ze vee wilden schenken. Toen ze aan boord kwamen trokken ze hun dolken en staken iedereen neer. De Hollanders roeiden naar ze toe en aan boord zagen ze het hartverscheurend schouwspel, er lagen talloze doden. Het meest verschrikkelijk om te zien was de zoon van de schipper, een jongen van een jaar of elf, die vele malen gestoken was en zijn afgesneden ballen in zijn mond had. In paniek vluchtte nu deze radja, geschrokken van zijn eigen heldhaftigheid, weg met zijn manschappen. Hij was bevreesd om de wraak van de Hollanders, die spoedig als een alles vernietigende wervelwind over het eiland zou gaan.

Coos overmoedig geworden omdat hem tot dusver alles lukte overspeelde zijn hand en beloofde de gevluchte radja en zijn eiland tot de grond toe af te branden. Als het aan hem lag zou hij ze terug bombarderen naar het Stenen Tijdperk. Zijn officieren waarschuwden hem hiervan af te zien. Kapitein Coos was na alle triomfen van de laatste weken minder dan ooit geneigd naar de adviezen van anderen te luisteren. Hij zou zelf de strafexpeditie leiden. De gewone zeelieden die hem vereerden konden hem daarvan niet weerhouden en de officieren, die hem haatten, lieten hem met plezier zijn ondergang tegemoet gaan.

Coeckebakker liet zijn adviesraad weten dat hij besloten had de opstandige inboorlingen te straffen. Hij wilde een voorbeeld stellen voor de hele archipel. Hij voegde daar aan toe dat hij zelf de expeditie zou leiden. ‘Ik zelf zal deze expeditie leiden, want God is mijn herder.’ Er volgde opnieuw een vergeefs protest. ‘Ik zal alleen vrijwilligers meenemen, we zullen zien op wiens hand onze Heere is.’ De officieren, die Coeckebakker afkerig waren hielden zich verre van de operatie. Zijn bloedbroeder bood duizend krijgers aan, maar Coos sloeg het aanbod af, omdat de soldaten van Christus geen aardse hulp nodig hadden. ‘Dit is een opdracht van God en Hijzelf zal mij naar de overwinning leiden.’

 

Wordt vervolgd