Waldo

Waldo

Bert van Leeuwen

Ik logeerde op mijn zesde jaar bij mijn opa en oma in Winterswijk. Ze woonden aan een rustige straat. Het waren niet mijn echte grootouders. Mijn moeder was hier geweest om aan te sterken na de hongerwinter.

Ik liep zo’n beetje buiten en er waren nergens kindjes te zien waar ik mee kon spelen. Even verderop was de straat open gebroken. Ik ging bij de stratenmaker staan maar hij deed net of hij missloeg met zijn hamer, net naast mijn schoen. Dus ik ging een beetje verderop op een paar tegels zitten om naar hem te kijken hoe hij aan het werk was.

Op een gegeven moment komt er een hondje naar hem toe dribbelen. Het was geen mooi hondje. Het was een heel vervelend hondje. Het was zwart, bleef maar blaffen en het was heel erg harig. Het diertje had kleine kraaloogjes die verstopt zaten tussen al dat haar en waggelde op zijn pootjes naar de stratenmaker toe. Het stelde zich recht tegenover de stratenmaker op en bleef maar blaffen. Het was een vervelend hondje. Wellicht had het hondje een hekel aan getimmer of het voelde zich verheven boven de stratenmaker die gebukt aan het werk door het leven ging. Ik was benieuwd wat de stratenmaker zou doen, maar die werkte gewoon verder. Toen het hondje steeds dichter naar de stratenmaker toe kwam en bleef blaffen werd het ook de stratenmaker te bar en hij gooide een hand zand naar het beest. Het hondje waggelde wat verbaast naar achter, maar na een paar tellen had hij zijn oude stelling weer ingenomen. De stratenmaker werkte een tijdje door onder het geblaf van het hondje. Maar hij was het zat en schold het hondje uit voor ‘Schijthond’ en dat was wel een heel vies woord.

Het hondje draaide zich om, piste over het gereedschap van de stratenmaker, wat even verderop lag, en bedacht zich en liep op de stratenmaker af en begon weer tegen hem te blaffen. De stratenmaker ging rustig door met zijn werk totdat het hondje dicht genoeg bij hem was en gaf hem toen met zijn hamer een klap op zijn kop, precies tussen zijn oren en legde daarna weer een paar stenen in het gelid. Ik vond het hoogst merkwaardig dat die kleine keffer ging slapen, maar ik bleef vol bewondering naar de stratenmaker kijken die de ene naar de andere steen, in een vast patroon, in de straat legde.

Even dacht ik om ook stratenmaker te worden. Maar ik zou al ome Klaas worden en je kunt geen twee dingen tegelijk. Ome Klaas vaarde en had al een televisie voor mijn andere oma gekocht, waar mijn broertje en ik altijd op woensdag naar Pipo de Clown gingen kijken. Mijn ome Klaas vaarde op een boot en ging de hele wereld rond om te vechten met allemaal mannen en hij had in elke haven heel veel meisjes en hij had ook al een bandrecorder en als hij weer in Nederland was huurde hij een roeiboot met zijn vriendin en dan gingen we varen en als we onder de spoorbrug vaarde ging hij aan de brug hangen en hij had ook allemaal tattoos. Hij kon ook hard lachen en daar werd ik vrolijk van. En hij had een broer en die heette ome Piet en die vaarde ook en dat waren broers van mijn vader. Dus ik ging ome Klaas worden en geen stratenmaker. Of anders stratenmaker op zee, dat kon ook nog: dacht ik.

De stratenmaker floot het ene naar het andere liedje in deze oorverdovende stilte en schoof steeds verder naar achteren. Hij groef wat zand weg, pakte een nieuwe steen en gaf er wat klappen op met zijn hamer en zo liet hij steeds weer een stukje straat aan zijn lot over. Ik had niets meer te denken en ik floot naar het hondje en riep: ‘Hondje’. Nu keek de stratenmaker ook op en kroop even later naar het beestje toe. Hij schudde aan het hondje, maar die bewoog niet meer en had allemaal bloed aan zijn kop. Hij pakte het dier op en groef snel een gat ten grootte van het lichaam van het hondje en legde het lijkje erin. Zand erover en hij timmerde er gauw wat stenen overheen. De stratenmaker keek mij aan en zei: ‘Wil jij een kwartje verdienen? Maar dan moet je niets verder vertellen,’ en hij legde zijn vinger op zijn getuite lippen. Daar had ik wel oren naar en ik pakte het kwartje aan. Ik zou toch niets verder vertellen want mijn vader zei altijd: ‘Verraders gaan tegen de muur’. Dus ik had het ook voor niets gedaan, maar dat zei ik niet en nu kon ik ook nog een rolletje snoep kopen. Ik zei: ‘Bedankt stratenmakermeneer,’ en hij gaf mij een knipoog en ging verder met zijn werk.

Er kwam een oud vrouwtje om de hoek. Ze nam afscheid van een ander vrouwtje. Ze riep de hele tijd: ‘Waldo. Waldo, kom dan bij vrouwtje?’ Ze liep op de stratenmaker af en vroeg ‘Heeft u mijn hondje gezien?’ De stratenmaker vroeg: ‘Hoe ziet uw hondje eruit mevrouw?’ ’Het is een zwart, lief, klein hondje.’ ‘Nee, die heb ik helendaal niet gezien,’ en daar was geen woord van gelogen. Hij draaide zich om en zei tegen mij: ‘Hé jongen heb jij een héél lief, zwart, hondje gezien?’ en hij gaf mij weer een knipoog. Ik schudde van nee en ik dacht: hij zei jongen, iedereen zegt altijd jongetje tegen mij. Het vrouwtje liep verder en riep steeds angstiger: ‘Waldo. Waldo.’ Toen ze om de hoek was verdwenen keek de stratenmaker mij aan en we moesten lachen en ik zei: ‘Doeg stratenmakermeneer’. 

In mijn zak voelde ik het kwartje branden waar ik een rolletje snoep van het merk Italiano voor ging komen, want die vond ik het lekkerst. Ik liep naar het huis van mijn opa en oma. Ik draaide me nog een keer om en mijn vriend de stratenmaker zwaaide naar me.