Op Ziekenbezoek

De Haan

De haan op ziekenbezoek bij de trompetvogel

Toen de haan hoorde dat de trompetvogel ziek was ging hij bij hem op bezoek. Hij streek met zijn vleugel over zijn hoofd, waste zijn oren en ging naar het huis van de trompetvogel. 

De trompetvogel lag op zijn bed, onder een dikke deken, met een kussen onder zijn hoofd, en keek ernstig naar het plafond. ‘Ik ben ziek,’ zei de trompetvogel. De haan zweeg en knikte. De trompetvogel draaide zich op zijn zij, met zijn rug naar de kamer. Het was een mooie dag. Zonlicht stroomde de kamer binnen. 

‘Waar ben je ziek?’ vroeg de haan. ‘Overal,’ zei de trompetvogel. Hij keek naar de muur. ‘Is het ernstig?’ ’Nogal,’ zei de trompetvogel. ‘Ik mankeer iets.’ Hij draaide zijn hoofd weer naar de kamer toe. ‘O,’ zei de haan. Hij wist niet goed wat hij moest zeggen. ‘Kan ik iets doen?’

‘Nou…’ zei de trompetvogel. ‘Je zou kunnen zeggen dat ik dapper ben.’ ’Ben je dat dan?’ De trompetvogel zweeg even en antwoordde: ‘Nou… een beetje dapper ben ik wel. Maar ik bedoel dat jij dat zou kunnen zeggen.’ ’Je bent dapper,’ zei de haan. ‘Ja…’zei de trompetvogel, ‘dat is wel goed… maar je moet het anders zeggen… ik weet niet hoe ik dat moet uitleggen…’ Hij keek daarbij heel ongelukkig en ziek. 

Toen zei de haan, uit de grond van zijn hart: ‘Je bent dapper, heel erg dapper.’ ‘Ach…’ zei de trompetvogel en hij glimlachte bescheiden, onder zijn deken op het bed in de hoek van de kamer. ‘Dat valt wel mee…’ 

De haan zweeg en ging op een stoel naast het bed zitten. En zette een kopje thee voor de trompetvogel en presenteerde daarbij Mariakaakjes van Verkade, die hij van huis had meegebracht. ‘Ha…’ zei de trompetvogel, ‘de bekende ronde koekjes, lekker luchtig en bros.’ Af en toe vroeg de trompetvogel om even zijn hoofd te schudden van verbazing en nog eens te zeggen dat de trompetvogel heel dapper was. En zo ging deze dag in alle gemoedsrust voorbij.

Aan het einde van de middag zei de trompetvogel: ‘Ik mankeer al bijna niets meer.’ De haan keek hem opgetogen aan. Ze namen nog een kopje thee met een koekje. De haan zei nog: ’Je mag ook wel twee koekjes en ik laat de koekjes hier staan.’ Hij nam afscheid van de trompetvogel en ging daarna naar huis.

Peinzend liep hij door het bos en dacht erover na hoe hij zich zou voelen als hij iets mankeerde. Maar hij kon zich dat niet voorstellen. Hij was vol bewondering over de trompetvogel.