Nachtelijk bezoek

Het Puttertje

Het wordt steeds kutter sprak de putter

Midden in de nacht ging de voordeur open. Er stond een door en door slecht iemand in de deuropening van het huis waar het puttertje woonde.

Het puttertje lag in zijn bedje en durfde zich niet te verroeren. Uit zijn ooghoek zag hij dat er iemand naar binnen glipte. Wie zou dat zijn? dacht hij. Zou dát nu een slecht iemand zijn, een door en door slecht iemand? Hij had wel eens gehoord dat er zo iemand bestond, maar hij was nog nooit zo’n iemand tegengekomen en nu stond ie bij nacht en ontij in zijn huis. 

Het puttertje wachtte even en vroeg toen: ‘Wie bent u?’ Zijn stem klonk schor. De onbekende keek rond, gooide het bed en het puttertje door de kamer, deed de koelkast open, pakte de kaas, de boter en belegde een bruin kadetje. At dit op en ook zo’n lekkere kaascroissant van de bakker, die het puttertje toevallig in huis had. Tevens schonk hij zich een beker vol met melk.

‘Corona,’ schreeuwde Corona. Hij wachtte even. ‘Dag Corona,’ blafte Corona, met harde schelle stem. ‘Dag Corona,’ zei het puttertje zachtjes van onder zijn bedje. ‘Dat dacht ik ook,’ gilde Corona. Het was lang stil. ‘Ik ben het puttertje,‘ sprak het puttertje toen. Corona zei niets, ging verder met eten, dronk zijn glas melk leeg en ging voor het raam staan en keek de inktzwarte nacht in.

‘Wat komt u doen?’ vroeg het puttertje. Corona schraapte zijn keel en zei met zijn scheurende stem: ‘Gezellig Corona! Wat gezellig zo’n onverwachts bezoek!’ Zal ik zeggen dat ik een somber gevoel in mijn hoofd heb, dacht het puttertje, en dat het midden in de nacht is. Corona begon te krijsen. Het was een schril en luidruchtig lied over stront en pis, kots, vuistslagen in je bek, blafhoest, langdurig lijden en de dood die daar opvolgt. De lamp slingerde heen en weer, de muren kraakten, verf bladerde van deuren en kozijnen. Tenslotte was het lied uit. ‘Dank voor het applaus,’ brulde Corona na enkele ogenblikken van diepe stilte. ‘Dank je wel,’ schreeuwde hij door de kamer.

Corona gooide vervolgens de tafel, stoelen en de televisie omver en trok met veel geweld de boekenkast tegen de grond. ‘Een beetje wanorde is wel het minste…’ tierde Corona. Toen ging hij naar de voordeur. ‘Bedankt Corona voor je gezellige bezoek.’ Corona stapte naar buiten in de Egyptische duisternis. De voordeur liet hij openstaan, zodat de koude nachtwind hem telkens dicht rammeide en weer wijd open blies en verdween in het donkerte. Het puttertje lag onder zijn bed en rilde. Hij kon niet opstaan. Hij had zich nog nooit zo angstig en alleen gevoeld.