Moeder

Moeder, M.C. van Leeuwen Meijer

M.C. van Leeuwen Meijer

Mijn moeder is dood. Het nu meer dan tien jaar geleden. Je weet dat je moeder dood gaat en je wilt het zoveel mogelijk voor je uit schuiven en dan … dan komt het moment dat je moeder dood gaat.

Ze valt een eerste keer. Ze valt voor de tweede keer. Ze valt een beetje lacherig, terwijl ze het gordijn dicht trekt, achter de bank en kan niet meer overeind komen. De buren hebben de klap gehoord. Ze hebben geen sleutel van het huis van mijn moeder en ik woon te ver weg om hulp te bieden. Buurman belt de politie, zodat twee politiemannen haar achter de bank vandaan moeten tillen. Stel je eens voor wat een vernedering. Ik zou graag willen dat ze naar een aanleunwoning gaat. Bij het volgende bezoek ligt er een boekje op de tafel; ‘Een aanleunwoning, over my dead body’. Hoe komt dat daar? Mijn moeder weet het ook niet. De gloed is nog niet verstorven, maar ze wankelt.

Wanneer ze weet dat ze gaat autorijden neemt ze haar pillen niet in, want dat beïnvloed het rijgedrag. Een botsing. De chauffeur van de andere auto vraagt om haar autopapieren en mijn moeder zegt: ‘Die heb ik niet bij me. Als ik wist dat ik vandaag iemand zou aanrijden had ik die papieren heus wel meegenomen.’ Ze valt voor de derde keer. Wij verhuizen haar naar een aanleunwoning.

Mijn moeder wacht op de dood, tot de tanden bewapend met haar rollator, een stevige handtas en haar mooiste jurk. Ze is nog steeds boos op de dood… omdat de dood haar man, mijn vader zo vroeg heeft weggehaald. Ze wordt opgenomen in het ziekenhuis. Ze heeft kanker. In het ziekenhuis ligt aan haar rechterkant een verslaafde, zij noemt hem Herman. Herman Brood. De zuster vraagt: ‘Wilt u hete bliksem’ en ze zegt ‘Ja, lekker. Daar heb ik echt trek in.’ Terwijl ze het opeet zegt ze: ‘Ik had toch liever bloemkool gehad.’

De dokter vertelt in maart 2010 dat het hem zou verbazen als ze de volgende maand zou overlijden… en ook dat het hem zou verbazen als het nog een jaar zou duren. Mijn moeder deelt ondertussen snoepjes uit en doet alsof het over iemand anders gaat. Daarna gaat het bergafwaarts, ze kan niet meer zelfstandig wonen en ze komt in een verpleegtehuis terecht. Ze wordt goed verzorgd en eigenlijk heeft ze het daar wel naar haar zin. We zitten in de kantine. Mijn moeder heeft een ijsje, mijn vrouw een kopje koffie en ik koffie met een verbrand saucijzenbroodje. Ik zeg tegen mijn moeder: ‘Dat broodje is gecremeerd’ en zij zegt: ‘Gelukkig is ie niet zo groot…’ want mijn moeder heeft de oorlog mee gemaakt en dan gooi je nooit iets weg.

Zaterdag worden we gebeld of we willen komen, mijn moeder is gevallen. De vierde keer. We komen op bezoek en het was reuze gezellig. Zondag worden we weer gebeld, ze gaat snel achteruit. Mijn moeder ziet bleek, ademt slecht, spreekt moeilijk en ik schrik, het gaat niet goed met haar. Mijn oom en zijn vrouw waren die dag ook op bezoek. Mijn nichtje is er en mijn moeder vraagt aan haar: ‘Mag ik oversteken.’ Die dag gaan we nadat we bij haar op bezoek zijn geweest om acht uur weg naar huis en om half twaalf worden we gebeld: ‘Het gaat niet goed’. Niet veel later worden we weer gebeld, mijn moeder is overleden. Om twee uur in de nacht staan we met z’n vijven, mijn gezin, ik en mijn nichtje, rond haar bed en hebben we afscheid genomen van mijn moeder.