Een dag die zo leuk begon

Een dag de zo leuk begon

Vier Vissen

Ik kom aanfietsen en wordt spontaan en uitbundig begroet als ik weer mijn oude werkplek bezoek. Zelfs de man achter de kassa van het museum weet nog hoe ik heet, als ik mijn covidmasker afdoe.

De zon schijnt, al is het nog fris. Voorzichtig sluip ik door het beeldsnijatelier waar de afwezigen op de parkeerplaats achter glas hun kankerverwekkende sigaretten staan te roken. Ik stap de werkplaats binnen van de altijd goedlachse meubelmaker. Na een hartelijk onderonsje komt ook iemand mijn aura binnen met de mededeling dat hij binnenkort voor zich zelf gaat beginnen. Had hij dat maar veel eerder gedaan.

Verder word ik aangeklampt met hele gesprekken over dementie, ondeugdelijke deelnemers, operaties en van depressief tot burn-out klachten. Ze zien mij zeker aan voor de Klaagmuur in Jeruzalem waar je naar believen briefjes in kan stoppen. Ik ben het zo zat deze asregen van treurnis, uitgezonderd een paar vrolijke mensen. En toen moest de koffiepauze nog beginnen.

Ik ga naast iemand zitten die ik maar een knietje geef onder het motto: ik mag je geen hand geven tijdens de coronaperiode, om hem uit zijn lethargie te halen, en ik vertel gepassioneerd over mijn pensioentijd. Dat ik veel meer vrijheid heb en dat ik nu anders dan vroeger wel het toilet mag schoonmaken en de afwas doe. Als ik een goede bui heb slalom ik fluitend met de stofzuiger door de huiskamer. Zegt zo’n vrijwilliger wiens hoogtepunt is dat hij op zijn 52ste met pensioen is gegaan: ‘Je bent nu natuurlijk ook een stuk vrouwelijker.’

Na nog wat toegefluisterd leed over iemands werk en gezeur over een ongelukkige relatie verlaat ik bekaf via de achteruitgang het bedrijf waar ik ooit met heel veel plezier heb gewerkt. Thuis gekomen blijkt er een briefje in mijn jaszak te zitten waarop in onbeholpen handschrift staat: Help, moet die hele dag hout kloven.