De Grote Slachting

De Grote Slachting

Vincent van Gogh/Bert van Leeuwen

In de ochtendschemer hangt een soldaat naast me tegen de wand van de loopgraaf aan zonder armen en een ander kijkt me aan met lege ogen in een kapot geschoten kop. Achter, boven en voor ons is de hel losgebarsten. De punten van mijn schoenen staat open. Ik heb ze met touw vastgebonden na weken van genadeloze regen.

De rillingen lopen langs mijn benen in die smerige loopgraven bij Marne, alsof ik aan het tapdansen ben op het toneel van Moulin Rouge in betere dagen.

‘De stront zal uit hun poriën spuiten,’ heeft sergeant d’Arc nog geen twaalf uur geleden gezegd. ‘De loopgraven van die Moffen zullen erger stinken dan die stinkkutten van jullie schoonmoeders bij elkaar.’

‘Onze kanonnen,’ gaat d’Arc verder, ‘zullen die Moffen naar de verdommenis helpen en daarna pissen we in hun lege schedels.’ Precies zo zegt hij het met zijn bloemkooloren, kort geschoren haar, zijn in en in gemene blik en zijn kraakheldere blauwe uniformjas, zonder een smetje modder.

Om zes uur is het kanongebulder losgebarsten terwijl ik moet kotsen maar het niet kan. Sergeant d’Arc knielt met zijn aanvalsfluitje in de hand alsof ie zich opstelt voor de 400 meter hordeloop. Ik blijf achter hem in het besef dat ik dan onkwetsbaar ben. De kogels die op d’Arc afvliegen buigen af op het moment dat ze zijn lichaam naderen. Anderen worden uiteengereten en gaan gillend ten onder, maar hij rent altijd onversaagd en ongeschonden voorwaarts over het slagveld. Hij blaast op zijn fluitje.

We horen verder niets. Een enorme vredigheid. We komen langzaam omhoog en blijven naar voren stormen. We rennen gebukt op de Moffen af, zo hard als we kunnen in onze scharlakenrode broeken. Verbaasd. Pure stilte.

‘Godverdegodverdomme’ verbreekt sergeant d’Arc de sereniteit ‘Smerige Randdebielen. Flapdrollen. Moederneukende hufters. Bukken imbecielen met die rotkoppen. Het kan elk ogenblik beginnen.’ Hoewel d’Arc onkwetsbaar is en over paranormale gave beschikt op het slagveld heeft hij het nu toch mis. De tere ochtendstilte die ons al een paar minuten omhult wordt alleen uiteengerafeld door het geluid van de klaprozen. Ditmaal zijn we niet verpulverd door onze eigen kanonnen of hebben ze ver achter de vijandelijke linie alles kapot geschoten. Nu hebben ze de Duitsers in één keer uitgeroeid.

Ik ren inmiddels op gelijke hoogte met d’Arc en ik zie de volledige verbijstering op zijn verbeten kop. Hij loopt kaarsrecht alsof hij de parade aanvoert. ‘Smerige randdebielen, moederneukers,’ dat waren voorlopig zijn laatste woorden, want als ik achterom kijk zit hij op zijn knieën met zijn handen op zijn buik terwijl de darmen eruit bulken. Wij zijn schietschijven op de kermis in een orkaan van geweld.

Er is geen beginnen aan onder dat helse vuur van mitrailleurs en ontploffingen om ons heen. ‘Terug, terug’ roept een stemmetje in mijn binnenste en ik geef er gehoor aan, maar niet zonder sergeant d’Arc. Ik kruip naar achter en grijp in zijn vloeibare lichaam en sleur hem naar onze loopgraven toe, terwijl ik me door de aarde heen wroet. Als ik eindelijk de rand van de loopgraaf bereik laat ik me met de gewonde sergeant achter de borstwering rollen.

Sergeant d’Arc is nog niet dood en hij schreeuwt tegen mij ’Gore, gore lafbek. Lafaard. Moederneukende smerige lafaard. Smerige gore randdebiel. Ik hoop dat je mag branden in de hel.’

Dat was de laatste keer dat ik hem gesproken heb, voordat hij begraven werd onder een kapotgeschoten appelboom.