De Begrafenis

De Begrafenis

De Begrafenis, Josephine Bertha Elias

De dienst van tante G. Allereerst werd ik begroet door ome P. die zei: ‘Vriend’, waarschijnlijk omdat hij mijn naam was vergeten.

Ik zat in mijn zwarte pak en donkergrijze overhemd naast Piet B., zoon van ome H. Ik heb zo verschrikkelijk gelachen tijdens die dienst. Piet B. zei: ’Heb jij nog los geld om in die collectezak te gooien’ en toen de pastor opkwam met z’n kwast om de toiletten schoon te maken zei hij: ‘Ik dacht eerst dat het ome O. was met een jurk aan.’ Daarna moesten de vier kleinkinderen met een kaarsje andere kaarsen aansteken om de weg naar de hemel voor tante G. te verlichten. Diegene die dat bedacht heeft zit nu nog te lachen. In de speech kwam veelvuldig de woorden; sprits, kano, gevulde koek, gebakje en koffie voorbij. P. ten B. deed ook nog een duit in de zak, tijdens zijn speech, met de woorden: “Ze zei altijd; Vind je het goed dat ik een sigaretje opsteek en zonder dat wij daar een antwoord op hadden gegeven stak ze haar rokertje in de brand.”

Later vertelde Piet B. dat hij een keer van school kwam en zag dat de blauwe racefiets van mijn vader voor de deur stond. Toen reed hij nog maar een blokje om, want mijn vader had een keer gevraagd: ‘Waarom P. als enige nog geen rapport had gekregen, terwijl de andere kinderen dat wel hadden.’ Piet B. wilde zijn rapport niet laten zien, omdat hij niet zulke beste cijfers had. Ik zei: ‘Jij bent toch hartstikke slim.’ ‘Ja,’ zegt hij, ‘ik was goed in wiskunde, maar ik was niet zo goed in talen, daar moet je voor leren en voor wiskunde hoef je niets te doen, want je snapt het of je snapt het niet.’ Hij vertelde ook dat hij een keer bij ome P. werkte, die een glazen oog heeft, en toen vroeg ome P.: ‘Hoe gaat het?’ ‘Prima,’ zegt Piet B. ‘bij jou hoef ik niet zo hard te werken, want je ziet maar de helft.’ Toen zijn loon werd uitbetaald kreeg hij ook maar de helft. ‘Je durfde er nog niets van te zeggen ook,’ zei Piet B.

Bij ome T., die ook bij ome P. werkte, hadden ze stinkbommen onder de bril van het toilet geplakt. Toen hij er op ging zitten braken die, het hele pand stonk ernaar, alleen ome T. had niets in de gaten. Toen we weggingen kwamen we ome O. tegen, die gaat zaterdag een georganiseerde zeiltocht over het IJsselmeer maken met zijn vriendin. Ik heb maar niet gezegd dat de kans op regen de hele week 90% is. Zijn wereldreis begint in Lelystad en hij vroeg of ik hem kom uitzwaaien. Ik zeg dan zit ik in Frankrijk, want we gaan acht dagen naar Corsica. Ome O. zegt: ‘Dat doet maar’ en Piet B. zegt: ‘Anders gaat het toch maar op aan al dat pensioengeld.’

Het was een mooie dienst alleen jammer dat tante G. van ander muziek hield dan ik. Toen ik terugreed van Enkhuizen naar Lelystad over de dijk moest ik nog lachen toen ik weer de woorden hoorde; ‘Bij jou hoef ik niet zo hard te werken, want je ziet toch maar de helft.’