Ab Parterretrap

Spanje

Vejer de la Frontera

‘Nummertsje 69. Mèn favverietûh nummertsje,’ hoorde ik op de achtergrond. Een rapportage van een bingoavond in Den Haag op de televisie. Een volkse vrouw met een vet Haags accent riep de nummertjes af. ’Hoâh ik daah un bingo.’

Ab heette Parterretrap van zijn achternaam en hij zei er altijd bij als je het omdraait staat er hetzelfde. Misschien kon Ab er ook niets aan doen. De vader van Ab was op advies van zijn grootouders getrouwd met een nijvere vrouw, omdat hij zelf te lui was om uit zijn ogen te kijken. Zijn vader, ik zal hem hier Saleiman noemen, uit de roman De Scheepsjongens van Bontekoe, van Johan Fabricius. Saleiman was al flink op leeftijd en trok door zijn incontinentie een spoor van urine door de huiskamer, over de trap, op weg naar zijn slaapkamer, voor een klein voorzichtig kwijldutje. Saleiman was daarnaast ook dement, dus iedereen was al blij dat hij de slaapkamer kon vinden, en niet in de trapkast belandde om tegen de strijkplank aan te pissen.

Ja, dat doet wat met je, anders wel zijn invalide zusje, die aan een rolstoel gekluisterd was. Ab zelf was alweer door het zoveelste vriendinnetje gedumpt. Het ergste was dat voor het zover was hij nogal veel aandacht vroeg voor zijn liefdesverdriet, en tegen je aan stond te grienen met wilde uitroepen waar hij dat allemaal aan verdiend had. ‘Waar heb ik dat aan verdiend!’ Hij hoefde nog net niet met een leprozen belletje te rinkelen als hij weer aanklopte voor aandacht. Ondertussen leidde hij een teruggetrokken leven op zijn werk, waar hij zich onttrok aan alles wat maar enigszins met de lucht van noeste arbeid te maken had, en wat ie nog deed daar gaf hij een geheel eigen invulling aan.

Ab was op vakantie geweest in Spanje en op de route naar huis vanaf Schiphol zou hij even bij mij langs komen op ziekenbezoek. Droge worst had ie meegenomen. Als ik hem moet geloven is dat de specialiteit van Spanje. Hij was nog niet binnen of hij liep mijn keuken in, pakte een scherp mes, snijplank en een schoon bord. Hij sneed de worst aan dikke plakken en at nog voordat ik met mijn ogen kon knipperen driekwart van de worst op. Wat hij wegspoelde met een koud biertje uit mijn koelkast.

Toen hij opkeek, omdat ik vroeg: ‘Laat je ook nog wat voor mij over,’ moest hij lachen en vroeg of ik een sigaret voor hem wilde draaien. Hij nam nog een nieuw biertje uit mijn koelkast voor zichzelf en klapte zijn Apple iPhone open en liet mij zijn vakantiefoto’s zien. Tijdens het scrollen kwam een verdwaalde foto van zijn penis in erecte toestand in beeld. ‘Sorry,’ en hij ging weer verder met zijn vakantiekiekjes uit Spanje. Ik vroeg me af wanneer hij nu eens naar mijn gezondheid zou informeren, daar ik onlangs was geopereerd en dat dit nu juist de reden was van zijn bezoek.

De worst was op en Ab wenste me op de valreep veel succes terwijl ik me achter hem aansleepte naar de voordeur met een van pijn vertrokken gezicht. ‘Laat de kat niet naar buiten,’ riep ik. Hij zei: ‘Héé?’, nog voordat het dier naar buiten sprong. Ook hier moest hij om lachen en zei: ‘Hij sprong zo langs mij heen. Kijk daar loopt hij.’

‘Het is een zij’, vertelde ik hem toen we afscheid namen. ‘Rode katten zijn altijd katers,’ zei Ab op zo’n lerarentoontje tegen mij in de deurpost. Tot 12 uur ’s avonds ben ik bezig geweest met mijn poes, omdat ze maar niet binnen wilde komen. Eigenlijk was Ab geen slechte gozer. Ik zou nog niet op hem spugen al stond ie in brand.

Ik strompelde naar de keuken en schonk mezelf nog maar een whisky-cola in, terwijl Astrid Kersteboom op Het Journaal zei dat ze tot haar kut was afgebrand, daar ze twee houten benen had, maar ik weet niet of ik dat goed verstaan heb.