2 In Dienst Van De VOC

Op 2 april 1595 vertrokken de schepen Amsterdam, Mauritius, en de veel kleinere maar snellere Duyfken van Tessel zuidwaarts. Nadat ze behouden bij Tafelberg, Kaap de Goede Hoop waren aangekomen verdween Coos Coeckebakker met frisse tegenzin naar onbekenden oorden in de richting van Batam.

‘Na een aantal maanden was de geestdrift ernstig bekoeld. Ik lag op het dek te ruften en het zweet parelde me op het voorhoofd. Het was windstil en verschroeiend heet. Het schip dobberde dapper rond op het water. Het spreken ging me steeds moeilijker af. De momenten dat ik helder was duurde steeds korter tussen de koortsdromen. Opeens waren we omringd met oorlogsprauwen. De inboorlingen zouden kelen wie aan boord was en beslag leggen op de handel aan Spaanse realen, spiegeltjes, linnen, laken, dekens, glaswerk en kralen. De eerste prauw bonkte tegen het schip op en behendig klommen de inlanders aan boord.
 
De schipper strompelde, als een blinde mol, mompelend van krankzinnigheid over het dek. We noemden hem liefkozend schipper Eenebrugtever. Schipper Eenebrugtever hief het gebogen hoofd op en dacht een stem te horen, een gestalte te zien en hij dacht zelfs de trekken te herkennen van zijn vrouw, die schijnbaar aan boord was. ‘Heiligen des Hemels! verrijzen de dooden!’ gilde hij, rauw en woest tegen Ottelijne, zijn denkbeeldige vrouw die hij had achter gelaten. Hij trad terug noch voorwaarts; en bracht slechts zijn hand aan het hoofd, alsof een plotselinge pijn hem die beweging ingaf en hij liet zijn hand daarna terug zakken. Hij mompelde wat, dat niet te verstaan was; maar zijn trekken hadden een schrikwekkende verandering ondergaan, het was alsof zijn veerkracht en leven was weg geweken, en er lag iets in zijn oog, te huiverwekkend om aan te zien. ‘Gij kunt mij vertrouwen.’ fleemde hij verder. ‘Ik zal altijd van u houden. U ken ik wel. Ja, u ken ik wèl!’ gilde hij voort. ‘Gij zijt Ottelijne - Ottelijne van de Vries! en gij zijt mijne bruid! En ik ben uwe bruidegom!’ En hij greep haar vast, maar klauwde redeloos door de lucht. ‘Koningin des Hemels! Ik ben de Bruigom van een lijk!’ riep hij opnieuw met een hese stem en stiet haar wild van zich af, met een schrikwekkende lach. Toen vatte hij haar nogmaals vast en greep haar en schreeuwde ‘Ottelijne!’ - ‘Dat valt te zwaar, Heere! mijn God! Hebt barmhartigheid, mijn Heiland!’ En, helaas! dat was geen vermoeden, het was een ontdekking! De waanzin, die reeds eenmaal in die hersenen had gewoeld en gekronkeld, had Eenebrugtever geschokt en verzwakt.
Terwijl de schipper zijn ondergang tegemoet liep, over de railing stapte en ‘Hou Zee’ riep tegen niemand in bijzonder, behalve tegen de inlanders die hem in de prauw stonden op te wachten, waar hij verdwaast door de bodem stuiterde en danig met de klewang werd afgedroogd.
 
Een inlander sloeg mij tot bloedens toe kreupel en ik rolde van de bak in de kuil. De inheemsen lieten mij voor dood achter naast Riny Schreijenberg, die bekend stond onder zijn artiestennaam ‘Marty met zijne gouden trompet’, de trompetter van het VOC schip Amsterdam. Marty pakte nog eenmaal zijn trompet en blies zijn laatste adem uit. Een unheimisch geluid verliet het metalen blaasinstrument. Geschrokken werd ik wakker, in de allerliefste omgeving waar ik verpleegd werd door vrouwen, slechts gekleed in een kleurige sarong, op het heerlijkste eiland Bali uit de gordel van smaragd. Inmiddels was het schip Amsterdam, samen met het schip Mauritus en het jacht Duyfken met de noorderzon vertrokken. Als je dit leest eerzame en zeer delicate lieve schat ben ik op de terugweg naar huis met het schip Batavia, wat nog even langs kwam.