Vader

Emmy Andriesse, Hongerwinter 1945 (Amsterdam)

Emmy Andriesse, Hongerwinter

Een boerenvrouw zat achter de geraniums aardappels te schillen. Zij keek af en toe naar buiten, onzichtbaar voor de massa. Het was oorlog en de mensen liepen krom van de honger haar boerenstulp voorbij, bang voor de woest blaffende waakhonden.

De hongerlijders trokken langs de gesloten deur, waar een ambachtsman met vaardige hand allerlei krullen en bloemmotieven in had gesneden. Gehuld in lompen en op vele plaatsen versleten en nog vaker herstelde schoenen sloften ze voort. Ze probeerden met neergeslagen ogen naar binnen te kijken in de hoop op eten. In de huiskamer liet de boerenvrouw de ene na de andere geschilde aardappel in de pan met water vallen.

Achterin de hoeve werden de zwarthandelaren vriendelijk geholpen door de gedienstige boer. Zijn door tandrot verminkte tanden lichtten op in het schaarse licht van het melkkot. ‘Dit waren nette mensen’ volgens de boer, want zij wilden wél de gewone prijs betalen, de gewone prijs. De arme sloebers die geen cent meer hadden betaalden met antiek, gouden tanden, tafelzilver, ringen en ander sieraden.

Het viel de boer wel op dat er steeds vaker minder mensen over de dijk liepen. De boer had geen tijd voor zulke wandelingetjes, hij moest werken en hoe; Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. En na het werk als hij aan tafel zat droeg hij zijn gebed voor in het aangezicht van Jezus, die hij boven de deur aan twee balken vastgespijkerd had.

De boer had er geen belang bij dat de wereld in de brand stond, het verontrustte alleen maar de handel. Dat bleek wel, want op een kwade dag, vielen een tweetal mensen de boerderij binnen. Ze sloegen hem op z’n smoel en bonden hem en zijn vrouw vast. Ze namen eten uit de voorraadkasten en trokken twee hagelnieuwe fietsen van het merk MDFV, in de volksmond Mit Dem Führer Vorwärts, uit het fietsenhok, die ze aflaadden met zakken vol met piepers.

Na de oorlog zat de boer verdwaasd in zijn hel verlichte borgt. Hij vroeg zich af waar al die mensen waren gebleven om hem dank te betuigen. Ze hadden toch de oorlog overleefd dankzij de melk die hij had geleverd. Lang kon hij dit niet overpeinzen, want de volgende dag moest hij weer vroeg aan het werk. De verzetsmensen zaten ondertussen voor hun nummer in Indonesië of anders wel tussen de oorlogsmisdadigers in de gevangenis omdat ze dienst weigerden. De boer hoefde niet, hij was immers economisch onmisbaar.

Een van de fietsendieven was mijn vader. De laatste jaren had hij vaak nachtmerries en het gebeurde geregeld dat hij gillend en schreeuwend wakker werd. Hij herbeleefde de Duitse soldaten die over de Wandelweg in Wormerveer marcheerden waar hij ook liep met een kinderwagen vol met de illegale krant Je Maintiendrai onder een bult brandhout. Een Duitse soldaat hield hem staande en sloeg hem die dag zo hard dat het bloed uit zijn mond gutste, waarna ze hem gelukkig lieten gaan.

Nu is mijn vader dood en laatst dacht ik aan hem. Eigenlijk denk ik elke dag aan hem. Ik zag mijn vader voor me. Lachend keek hij mij aan, met opgestroopte mouwen. Een verse Havana van het merk Romeo and Julia in zijn mond waarvan ik een hele doos uit Cuba had meegenomen. Nogmaals draaide hij in de keuken de polsdikke palingmoten om in het sputterende vet en keek goedkeurend naar de kruimige aardappelen. Hij sloeg de nog nagloeiende as van zijn schort en zei: ‘Daar zul je later nog weleens aan terugdenken.’ Hij lachte, heel zijn gezicht lachte. ‘Zullen we nu maar aan tafel.’