Toverballen

Carl Fredrik Hill, the Cemetery

Carl Fredrik Hill, The Cemetery

Nadat ze haar elf kinderen naar bed heeft gebracht luistert een vissersvrouw naar het bulderen van de storm. Haar man is op zee. Zenuwachtig loopt ze door de kamer te ijsberen en te bidden.

Naast een oude foto van het stoomschip Christiaan Brunings een penis op sterk water. Het is de piemel van haar man waar ooit een uitschietende marlpriem, voor het splitsen van touw, in is terechtgekomen. Omdat zijn schachtenduiker niet meer te gebruiken was heeft de dokter hem verwijderd. De visser heeft hem terug gevraagd; zo is zijn blanke-vlablaffer een aandenken voor zijn vrouw als hij zich op zee bevindt. Het leukste gedeelte aan hem heb ik dan toch maar in huis, denkt ze vaak als het buiten weer eens op een ruwwoeste dag spookt en dondert en ze naar zijn pompstronk kijkt die in een glazen weckfles ronddobbert.

En gelijk heeft ze: als hij mocht verdrinken blijft zijn puddingbuks in lengte van dagen op de schoorsteenmantel staan als aandenken aan haar man. Hij heeft de bijnaam ‘Toverballen’, of ook wel 'Toverbal' dat lekker in de mond, want z’n kinderen hebben alle kleuren van de regenboog; geel, rood, bruin, zwart en wit. Ze heeft gehoord van andere vissers dat haar man flink gevangen heeft, maar nog niet genoeg en dat ie waarschijnlijk over vier dagen weerom komt. Omdat trawlers vaak lang van huis zijn, zijn dit een soort varende fabrieken waarin de vis direct aan boord helemaal verwerkt kan worden. Als hij een paar dagen eerder in de haven terug is blijkt wat hiervan de oorzaak is. Haar man, schipper van de trawler met de naam ‘Zonder God vaart niemand wel’, heeft zijn arm verloren tijdens de visvangst. Zijn rechterarm is vermorzeld in de winch waarmee de visnetten worden binnengehaald.

Een week later zien we een begrafenisstoet door de sneeuw van het vissersdorp Katwijk lopen, naar het kerkhof vlak achter de duinen. De visser en zijn vrouw dragen zelf zijn arm in een eikenhouten kistje. Het past er precies in. Dat is ook niet zo verwonderlijk, want het is speciaal op maat gemaakt. Achter de man, de vrouw, de dominee Van den Bosch en Lommer, die daarvoor 10 jaar werkzaam was als zendingspredikant in Gatenmala, Kwada Loemphoer, Kalekutta en Beri-Beri, hun kinderen. De oudste draagt de glazen weckpot met de in het heldere vocht rondklotsende lul van hun vader, dit tot grote hilariteit van de omstanders.

Met uitzondering van een paar kleinigheden gaat de begrafenis precies zoals het bijzetten in het familiegraf al jaren gewoon is in dit eenvoudige kustplaatsje. De loodgrijze regen slaat neer op paraplu’s en hoge hoeden. Ondanks dat we pal aan het graf staan horen we slecht brokstukken van de preek. ‘Hier liggen lul en arm van Toverbal… te wachten op wat verder komen zal’

En terwijl een zwarte kraai met zijn lange diepe snavel loopt te wroeten tussen de pissebedden en de torren onder een kale boom, horen we zingen: ‘Mijn Ver-los-ser leeft en op de jong-ste dag zal Hij mij doen ver-rij-zen.’

Zachtjes mompelend: ‘Wat een lul’, de strakheid van hun gezicht vegend en netzo als bij een echte begrafenis verwijderd iedereen zich van het graf, nadat ‘Toverballen’ een schepje aarde op zijn eigen stoffelijke resten heeft gegooid. Binnen een mum van tijd zien we het volk al aan de horizon scharrelen op weg naar de kroeg om weer samen klonteren, ondanks de coronamaatregelen, met krentenwegge dik met boter besmeer, dikke sigaren, kelkjes boerenjongens en jenever en glaasjes advocaat voor de vrouw en zo komt er toch weer een einde aan deze dag.