Stardust 3

Bert van Leeuwen

Weken, misschien wel langer, na de schipbreuk ging ik naar het ‘s-Gravenzandse strand voor mijn schip, die haar laatste dagen doormaakte als een incontinente bejaarde achter de geraniums. Het was koud, maar er scheen een klein zonnetje. Bij een stalletje aan het strand waar ze koffie, ballen gehakt en broodjes knakworst verkochten, hadden ze ook foto’s geëtaleerd van mijn Stardust voor f 1,25 per stuk.

Bij de resten van het schip zag ik Niesing.
‘Héé Kap, alles goed?’
‘Hee Rooie. Nee, moet je kijken wat ze gedaan hebben. Wat een troep.’ Hij was woedend.
‘Ja, er is niet veel meer van over. Heb u zin in een kop koffie?’
‘Goed, maar niet hier, niet in die ballentent, die ze opgesierd hebben met foto’s van mijn schip.’
We gingen de stad in, op zoek naar een restaurant. Onderweg, bij de ingang naar het strand, kwamen we een dikke man tegen. Hij droeg een zonnebril en op zijn borst had hij een bord met de tekst: BLIND. Hij bespeelde een buikorgeltje. Toen de muziek op hield deed hij het klepje van zijn instrument open en draaide het cassettebandje om. De muziek startte en hij begon weer aan het hendeltje te draaien, aan de zijkant van het houten kastje wat de schijn had van een orgeltje. Ik gaf hem wat kleingeld voor deze reuzengrap.
 
We wandelden de Strandweg in en aan het einde van de straat was een wit gebouw, hotel-restaurant Elzenduin. We zaten nog niet of er kwam een vrouw naast me zitten. Ze heette Claudia. Een animeer meisje, dat verbaasde me. Een vereiste is dat ze redelijk aantrekkelijk is, maar daar was hier totaal geen sprake van. Een lichaam als een zak aardappelen. Licht kalend en kleine gemene oogjes. Een snor en make-up opgebracht in het aardedonker. Wat ontbrak was een gehoorapparaat. Ze kwam spoedig ter zake en gooide de mogelijkheid van geslachtsgemeenschap op de bar. Ze vertelde me de prijzen van bepaalde handelingen en de houdingen die zij in staat was aan te nemen. Haar hand gleed naar mijn bovenbeen. ‘Mijn kamer is hierboven’ en ze priemde al wilde ze het bewijzen met haar vinger in de lucht. Ik hoorde op de achtergrond The Crystal Ship van The Doors op de radio.
‘Daar ben ik niet van gediend’ zei ik tegen haar. ‘Ik wil in jouw nog niet dood gevonden worden,’ daar kon die Ouwe wel om lachen.
Zij ging naast een matroos uit Australië zitten, die al het een en ander genuttigd had. ‘I am a sailor from Austria?’ had hij tegen ons gezegd.
 
‘Twee koffie,’ zei ik tegen de serveerster toen ze op ons af kwam.
‘En een borrel,’ zei Niesing.
‘Voor mij hetzelfde. Tweemaal.’
‘Ja, ik moest toch even kijken’ zei Niesing. ‘Maar wat een troep. Luister, het was oorlog, mei 1940. Toen lag ook alles in elkaar. Die dag werd Nederland opgeschrikt door het geronk van vliegtuigmotoren. Alle mensen wat een fijne tijd en geweldig mooi weer. Ik was nog een kleine jongen. Koningin Wilhelmina zou er graag bij willen zijn, maar ze had een belangrijke afspraak in London. Parachutisten dalen naar benee. Enorme rookwolken stegen op. Stuka’s doken uit de blauwe hemel en suisden huilend neer. De sirenes loeiden, maar de soldaten waren paraat evenals de mannen van de luchtbescherming, die met grote zelfbeheersing de schuilkelders opzochten. De radio was de hele dag aan, met berichten over rep en roer.
Dat was genieten én toen we voor ons leven vochten, voordat we op dat godvergeten stuk strand kapot liepen. En nu zit ik koffie te drinken tussen al die walratten.’
Het meisje van de bediening kwam terug met vier koffie en drie glaasjes jonge jenever.
 
‘Dit is geen leven’ zei ik. ‘Nee doe mij maar een goed schip en een behoorlijke kapitein, dan ben ik morgen weg uit dit stinkgat. Kameraden, vechtpartijen, massa’s rum, op dek liggen in de zon en hoeren die in de rij staan wanneer je aan land komt, dat is een eerzaam leven!’
 
Ik wilde weer varen. Niet dat het altijd feest was. Er was ook weleens handel in juten zakken, van wel twee meter hoog, vol met pinda’s waar halfvermolmde buitenlanders in waren aangetroffen, die op de vlucht waren voor het oorlogsgeweld. Of trossen bananen waar vuistgrote vogelspinnen uit tevoorschijn kropen. Die je aanvlogen, sissend als een wilde boskat, als ze in het nauw gedreven werden.
‘Maar wat ga je nu doen? Bel me als je weer een schip hebt?’
Hij knikte. ‘Misschien ga ik wel maar Bali’ zei ie.
 
Ik betaalde en toen we buiten waren namen we afscheid. Ik keek Niesing na. Hij klopte zijn pijp uit op de brugleuning en tikte de kop van de steel af, voordat hij het kon verhinderen viel die in het water. Hij boog zich over de leuning, wat achterbleef waren de kringen in het water.’
 
Ik heb hem, na die ontmoeting in ’s-Gravenzande, nooit meer gezien. Wel ging al spoedig de mare dat hij na zes dagen van feest in een kampong op Java met veel eten en drinken van klapperwijn ’s avonds de jungle was ingetrokken, met een zaklantaarn op zijn tropenhelm geplakt en een enorm geweer in zijn handen, om tijgers te jagen.
 
Onze coaster Stardust was zich kapot gevaren op het strand van ’s-Gravenzande in januari van het jaar 1976. Ik ontmoette kapitein Niesing 19 februari bij de restanten van het schip en daarna ging hij op tijgers schieten, dan moet dat voor 1978 zijn geweest, want spoedig nadien waren de tijgers uitgestorven.
 
Op de achtergrond was er muziek van The Velvet Underground, ‘Last night I said goodbye to my friend’, toen ik dit schreef.’