Schipbreuk

William Turner, Peace

William Turner, Peace

Dit is een verhaal van een man die moet overleven op de Middellandse Zee, nadat zijn zeiljacht beschadigd is door een botsing met een op drift geraakte, drijvende zeecontainer.

Zonder navigatiesysteem of communicatiemiddelen zeilt hij af op een gevaarlijke storm, die hij ternauwernood overleeft. Zijn zeiljacht vergaat, waarna hij in een reddingsvlot meedrijft op de stroming. Hij probeert uit te komen op een zeevaartroute of in de buurt van het vaste land. De brandende zon en het gebrek aan drinkwater en voedsel, hooguit een grote mantelmeeuw die uitgeput op zijn bootje landt, heeft hij niets te eten en te drinken. Zijn situatie wordt steeds zorgwekkender.

Ik zat in mijn reddingsvlot en het was me droef te moede. God, wat een mens niet al mee moet maken. Ik was van plan om zelfmoord te plegen, al heb ik vaak genoeg gezegd: ‘Dat is wel het laatste wat ik doe’. Maar toen besefte ik tot mijn verbazing dat het niet meer zo belangrijk is of ik gelukkig of ongelukkig ben. En dat is op zich het begin van geluk. Maar anderhalf procent van de zelfmoordpogingen lukt, dus ik kon het netzo goed niet doen.

Ik leefde en daarmee was alles gezegd. Ik was nog niet dood. Nu ja, wat moet ik zeggen? Het leven, de gedachten van een schipbreukeling zijn aan iedereen bekend. Ik ben blijven leven. Ik dacht: schrijf het toch eens op, want eigenlijk is het een mal verhaal. Ik zat in een reddingsvlot. Het water was niet koud. Ik dreef in de Middellandse Zee, in de buurt van Griekenland. Die krankzinnige storm wilde maar niet ophouden. Huizenhoge golven overspoelden me. Nu kan ik schateren van de lach; ik heb het immers overleefd, maar wat zat ik al die tijd in de rats.

Opeens zag ik een schip aan de horizon. Het zal ongeveer vijf uur in de middag zijn geweest en het kwam recht op me afvaren. Ik schoot een lichtkogel af en ik herkende meteen het schip. Het is een fraai jacht van zo’n 16 meter lang en twee miljoen euro waard. Een Nederlands vlaggetje met een kroontje wapperde in de wind. Het schip vaarde in een boog om me heen en maakte dat ie weg kwam. Ik hoorde nog wel dat de vrouw naast de schipper riep; ‘Nee, niet naar daar. Dat is goor. Hou die tempo.’

De volgende dag bemerkte ik een superjacht en ik stak een rode handfakkel aan. Ik schreeuwde uit alle macht zodat de opvarenden mij zouden horen. Het schip heette Illusion Plus en is ongeveer 90 meter lang, het was van een rijke Chinees bemerkte ik toen ik liefderijk aan boord werd genomen. Godzijdank, ik was eindelijk gered. Een paar chique Chinezen, dames en heren, kwamen de ruimte binnen waar twee matrozen mij naar toe hadden gebracht. Ze knikten naar mij. Er werd eten en drinken gebracht. Champagne in kristallen glazen, zalm, forel, gekonfijte vleermuisjes en allerlei andere hapjes die ik niet zo gauw herkende geëtaleerd op een rijk versierde tafel. Ik schaamde me een beetje hoe ik eruit zag, gehuld in mijn oude kleren.

Ik zag prachtige schilderijen aan de wanden van de salon. Een zeegezicht van William Turner. Waterlelies van Monet, vrijende mensen in een zacht bed, een vlucht gouden reigers boven een meertje. Tegen elkaar spraken ze Chinees en om de beurt gingen ze naast me staan en maakte een selfie. De stuurman, met het postuur van een sumoworstelaar en twee gouden banden om de zwarte mouwen van zijn prachtige uniform, maakte nog een groepsfoto. Een van de Chinese dames trok hard aan mijn baard en ze schrok toen ze aan mijn gezicht zag dat het zeer deed. Ze dacht zeker dat het zeewier was. Ook stak ze haar hand in een plastic operatiehandschoen en daarna haar gehandschoende vinger in een gapende wond in mijn borst. Ze liet haar vinger aan het gezelschap zien en toen moesten ze allemaal lachen. Het begon inmiddels donker te worden. Ze namen nog wat hapjes en een slokje champagne zonder mij iets aan te bieden en verlieten de salon.

Spoedig hierna werd ik op mijn schouder getikt door de stuurman. Hij nodigde me uit om hem te volgen. 'Mie Boss. Folo Mie.’ Ik dacht: nu krijg ik alsnog eten en drinken. Hij ging me voor naar het achterdek en twee Chinese matrozen naast ons hielden me streng in de gaten. Het was zacht weer. Je kon er zo doorheen lopen. Hier aangekomen lag mijn reddingsvlot aan een touw afgemeerd. Wat moest ik met dat waardeloze ding? Bedoelden ze soms dat ik nog wat spullen uit kon halen? ‘Get on. On te dobbel, Fuckel!’ zei de stuurman en toen moesten ze alle drie lachen en hij wees naar het vaartuig. Ik stribbelde tegen, maar een van de matrozen had een nunchaku in zijn hand en zwaaide daarmee gevaarlijk in de rondte en hij wees uitdrukkelijk nogmaals naar mijn bootje. Ik stapte in en uitte een schreeuw van afschuw en zag hoe de lijn werd los gegooid. Ik kreeg onmiddellijk een geweldige opdonder door de hoge golven van het schroefwater. Ik jankte van ellende. Binnen tien minuten waren het schip, de Chinezen, de hapjes en de wijn achter de horizon verdwenen. Af en toe kun je toch behoorlijk bezopen dingen meemaken, maar gelukkig heb ik het overleefd.