Pure Fictie

Pure Fictie

Michel Ditzel

De fotograaf had zijn werk afgeleverd en de fotoreportage werd tentoongesteld langs het schip wat in aanbouw is. De collage van foto’s vertoont alle stadia van de bouw aan het schip, met veel aandacht voor de mensen die hier aan werken.

Op één van de foto’s staan twee mannen, de een vormt met zijn duim en wijsvinger een cirkel en de ander steekt lachend zijn in een dikke handschoen gestoken middelvinger omhoog uit pure baldadigheid, want tijdens het proces gaat het ook weleens mis. Het leven bestaat tenslotte niet alleen uit bier en neuken.

Even later heeft de fotograaf een hooglopende discussie, over de foto met de opgeheven vinger, met een medewerker van de werf die vindt dat dit een obsceen gebaar is en zijn verontwaardiging doorbrieft aan de directie, die niet veel later alle consternatie wegwuift en nogmaals zijn goedkeuring uitspreekt over de keuze van de foto’s.

Terwijl een aantal mensen vol bewondering naar de foto’s kijken valt de zelfbenoemde rapporteur van losse zeden tijdens dit twistgesprek uit het kantoortje over de dorpel in de deuropening en een bestelbus van de firma Toppie Glas en Gevelreiniging rijdt over hem heen. Een potje met ongezouten hazelnoten wordt uit zijn hand geslagen en rolt eenzaam van het talud. Een grote man met een kaal hoofd en tatoeages in zijn gezicht stapt uit de wagen. Consternatie alom en verwarring troef op heel wat gezichten.

Algauw is een ambulance en de politie ter plekke en de chauffeur van de bestelbus wordt ingesloten en afgevoerd. Op het politiebureau vraagt de rechercheur bars: ‘Doet u dit wel vaker?’ De glazenwasser staart naar het achterovergekamde haar en de grijsgroene ogen van de agent. ‘Ik weet het niet. Opeens ligt i voor mijn auto… Ik schrik me de pleuris. Ik heb van mijn leven al heel wat gezien, maar… en ik geef gas. Het spijt me. Ik kon er niets aan doen.’ Hij zit tegenover de politieman met gebogen hoofd en met zijn handen in zijn schoot in een voor hem te kleine stoel, want het is een beer van een vent.

Aan een tafel in de andere hoek van het vertrek zit een man met blond haar, in zijn overhemd, zijn das losgeknoopt. Hij is bezig om een blikje sardines open te maken en daarna smeert hij zijn pistoletje gulzig in met boter. Als de sardines op zijn broodje liggen klapt hij de visjes open met een mes en peutert de graat eruit die hij op zijn bordje smeert en hij knipt nog een paar takjes peterselie fijn boven zijn sardines. De rechercheur draait zich om naar het irritante geknip achter zijn rug en de blonde collega zegt: ‘Héé pik, ook een stukkie?’

‘Nee, dank je. Ik ben pas ziek geweest,’ en tegen de glazenwasser: ‘dit keer zie ik het door de vingers, maar nooit meer doen.’ Hij komt uit zijn bureaustoel en kijkt hem bestraffend aan, maar inwendig moet hij lachen. ‘Dat beloof ik,’ en hij kan de rechercheur wel zoenen, maar hij vindt het wijselijk om het niet te doen. Twee agenten komen binnen en gaan opzij om de glazenwasser door te laten. De man wandelt kalm het politiebureau uit de straat in. Aan het einde staat een draaiorgel. Hij diept uit zijn broekzak een handvol kleingeld, stopt het in de centenbak van de orgelman en stapt zijn bestelbus in.

De rechercheur zegt als de chauffeur weg is tegen zijn collega, die nog een partje citroen uitknijpt, wat zwarte peper en zeezout over zijn maaltijd heen strooit en met veel smaak een hap neemt uit zijn pistoletje met sardines: ‘Volgens mij gewoon een ongelukkie. Maar wat anders. Ik was laatst op het naaktstrand. Staat zo’n dikke vrouw voor me op weg naar de patatboer en die bukt, kijk ik zo recht in haar zeester. Een enorm zwart gat waaruit niets, zelfs licht niet, kan ontsnappen. Ik was bijna naar binnen gestapt. Heb ik weer. Eet smakelijk,’ en hij loopt het kantoor uit.

Ondertussen op de scheepswerf blijkt het allemaal ontzettend mee te vallen en is het slachtoffer ongedeerd onder de auto uitgekomen. Toen i na een tijdje opstond was hij alles weer vergeten, maar dat is op zich niet heel bizonder. En zo kwam alles toch nog goed.

De sardineseter eet rustig verder en maakt met het laatste stukje brood zijn bord schoon en snoept een voor een zijn vingers af, kijkt gelukzalig voor zich uit en denkt: een ongelukkie, er is veel meer aan de hand.