Opgeroepene

Militaire dienst, Opgeroepene

Bert van Leeuwen

Hierbij roep ik u op ter opkomst in werkelijke dienst bij de KL als gewoon dienstplichtige uw eerste oefening te vervullen.

U dient zich daartoe op de hierboven vermelde datum te begeven naar de aldoor tevens vermelde plaats van aanmelding. In uw eigen belang raad ik u aan aandachtig kennis te nemen van de op deze oproeping voorkomende bijzondere bepalingen.

De opgeroepene die zonder geldige reden niet op de vastgestelde datum en plaats verschijnt, stelt zich bloot aan strafvervolging. Hij blijft verplicht zich onverwijld aan te melden bij de commandant van het onderdeel waarbij hij in werkelijke dienst moest komen. Bovendien kan hij door de daartoe bij de wet aangewezen personen en ambtenaren worden aangehouden en naar de plaats van bestemming worden gebracht.

Bert van Leeuwen die hier ter discussie staat had van de oproep een prop gemaakt en was gaan stappen met zijn vrienden. ‘We zullen wel zien. Dikke lul, vier bier.’

De volgende ochtend om zeven uur bonkte er een geweerkolf door het matglazen raampje van de voordeur en niet veel later stond er een reusachtige sergeant met een pistoolmitrailleur voor zijn borst in zijn zolderkamertje, die hem wakker porde. Bert kroop uit zijn droom waarin een meisje aanwezig was als een dampkring en snel wegtrok. De sergeant schreeuwde zijn naam, eenentwintig jaar, zonder beroep, Lijsterstraat 51.’ ’Jawohl,’ grijnsde Bert. ‘Onmiddellijk aankleden en meekomen!’ ‘Wie bent u dan wel?’ vroeg Bert. ‘Ik ben een mandarijn uit China.’ ‘Maar die zitten toch altijd in een netje?’ ‘En nu godverdomme opstaan,’ en hij trok in een ruk de poster van Che Guevara van de muur. ‘Allemaal vuiligheid!’

In een verbazing steiler van moment tot moment, bekeek Bert de verschijning. Was dit een fatsoenlijk ambtenaar van de Nederlandse weermacht? Een dienstklopper uit Emmer-Compascuum? Een overheidsdienaar uit Waspik? Zijn gezicht was zwart gemaakt en daarboven een camoufleerde helm met wat helmgras en zijn gescheurde uniform hing in flarden over zijn borst.

Bert sprong ontnuchterd uit zijn bed en keek uit zijn zolderraam; Oorlog? De flat aan de overkant stond er nog en Nas zijn Indische buurman zag hij net wegrijden in zijn peugeootje. Geen lijk of been hing in de takken van de lijsterbesbomen; alleen het skelet van een vlieger. Met een ruk van magische snelheid draaide Bert zich om, maar de sergeant stond er nog.

‘Aankleden!’ schreeuwde hij weer, deed een stap naar voren en schoot een salvo door het nachtkastje met zijn machinepistool dat zeer geschikt is voor gevechten op korte afstand. Bert kleedde zich aan, snel en verder zonder vragen. Nu en dan wierp hij een blik op de vechtjas, die al zijn bewegingen nauwlettend volgde. Toen hij zijn kleren aan had zei de sergeant: ‘Naar beneden kaffer.’ ‘Vaarwel kamer, vaarwel,’ verzuchtte Bert.

‘Weten mijn ouders hiervan?‘ waarop de sergeant hem een schop in zijn rug gaf en Bert over de trap door de voordeur naar buiten buitelde. ’Als je zoveel te vragen hebt zullen we je bek eens verbouwen. Alles gebeurt hier in dienst van de belasting betaler.’ In de huiskamer hoorde hij zijn moeder huilen en zijn vader bromde geruststellend; ‘Komt wel goed lieverd.‘ In de deuropening zei hij tegen Bert: ‘Hou je goed jongen. Dit is een belangrijke dag in je leven. Je hebt nu een kans om een man te worden.’ Buiten stond een donkere soldaat. Zijn bovenlijf was ontbloot en hij richtte zijn pistool op Jhonnie het debiele buurjongetje, dat luid bellend op zijn fiets met zijwieltjes voorbij kwam rijden. Toen Bert naar de soldaat keek maakte deze het geluid van een pistoolschot, kantelde zijn pistool en deed net alsof hij de rook uit de loop blies. ‘Hier hebben we weer zo’n klootzak die in zijn nest ligt te rotten,’ zei de sergeant. Hij dreef Bert naar een met netten en takken gecamoufleerde overvalwagen. Voor en achter stond een motorrijder, overdekt met zand en aardkluiten, leeg en vredig lag de straat in de schrale ochtendzon, vuilnisemmers stonden in het gelid en verderop een SRV wagen die van voor naar achteren bewoog terwijl het toch windstil was.

Een soldaat met kortgeknipt rood haar deed de deur van de legerwagen open. ‘En nou naar binnen.’ ‘Nee!’ ‘Wat? Godverdomme! Nee?’ ‘Roma locuta, causa finita.*’ ‘Wat! Gaan we godverdomme ook nog Russisch praten. Je vergeet dat je tegen een verdediger van de christelijke cultuur praat, stinkhomo!’ De roodharige gaf Bert een klap met zijn machinepistool tegen de zijkant van z’n hoofd, en die tuimelde naar binnen. De deur van de wagen werd op slot gegooid. Dat was het laatste wat hij zag, waarna ze met grote snelheid wegreden, omgeven door het geluid van sirenes.

Toen de deur van de overvalwagen eindelijk open ging stond Bert op exercitieterrein van de Juliana Stolberg Kazerne in Amersfoort en aan het begin van zijn diensttijd. Hier was het Opleidingscentrum Militair Geneeskundige Dienst (OCMGD) en in 1978 werd deze dienst verplaatst naar de Korporaal van Oudheusdenkazerne in Hilversum waar bovenstaande foto gemaakt is.

* Rome heeft gesproken, de discussie is voorbij (gebruikt om een debat of discussie te beëindigen).