Op Karwei

Snow

Eenzame fietser in de sneeuw

’s Nachts had het flink gevroren, het kwik was tot tien graden onder nul gedaald, en de enige die Bertus en Fred die ochtend tegen kwamen was een verkleumde fietser.

Het kan zijn dat ze het nog te koud of te donker vonden voor het karwei dat ze moesten uitvoeren; het is ook mogelijk dat het kwam door de reactie van Bertus, die achter het stuur zat en als vanzelf op de rem trapte toen hij bij het passeren van het ’t Koffiehuis het licht zag aanfloepen.

‘Wie hebben we daar voor dag en dauw?’ schreeuwde Cor hun tegemoet en hij verviel meteen in een bulderende lach, terwijl Bertus en Fred stampend en handenwrijvend binnen stapten. Direct nadat hij het licht had aangedaan, had Cor de koffiemachine ingeschakeld, meer voor hemzelf dan dat hij zo vroeg - het was even over half acht - al klanten verwachtte. Zwijgend trokken de bezoekers hun jassen uit, en gingen aan tafel naast de jukebox zitten en legden hun pakjes shag op tafel.

‘Het vaste recept?’ bulderde Cor in hun richting en meteen weer lachen. Bertus was de prater van het stel en Fred deed alleen zijn mond open om er een shaggie in te steken. Tegen dat geschreeuw zo op de vroege morgen kon Bertus slecht tegen, maar je moet wat, in de verre omgeving was geen koffie te krijgen. En waar is waar; hier hadden ze smakelijke koffie, beter dan i thuis kreeg. Cor had de koppen al onder het apparaat geschoven en stond te wachten tot het borrelen en sissen van het kokende water ophield.

Cor serveerden de koffie ‘Koud hé, maar de koffie is lekker warm. Hahaha,’ weer met die zenuwslopende lach, zo vroeg op de morgen. Bertus en Fred waren nog niet aanspreekbaar. Over de kleine tafel gebogen, de hoofden bijna tegen elkaar, dronken ze zonder te blazen de hete koffie. In het kille buislicht daarna hun tweede kopje en nadat ze beiden nog een shaggie hadden gedraaid verbrak Bertus de stilte, waarin alleen het klikken van lepeltjes en het geklok van de centrale verwarming hoorbaar waren geweest.

Bertus stak zijn wijsvinger uit en zei tegen Fred ‘Wil jij even aan mijn vinger trekken?’ en nadat Fred dat gedaan had liet Bertus een knetterende scheet en daar moesten ze hard om lachen en van de weeromstuit had Cor in elk neusgat een vinger.

‘Zag je hem aankomen?’ ’Ik niet!’ zei Fred en weer moesten ze hard lachen. Bertus leunde met zijn ellebogen op de tafel, de brede kop weggedoken tussen zijn schouders. Hij zag er uit als een oude vermoeide bokser en dat i sterk was had i al een keer bewezen door de jukebox boven zijn hoofd te tillen zodat alle singeltjes eruit rolden. Fred was jonger, dovig en had een snorretje en scheen wat serieuzer, maar als je hem beter leerde kennen viel dat zwaar tegen.

Bertus trok heftig aan zijn shaggie, stootte de rook uit alsof hij stoom uitblies. Een paar minuten voor acht stonden ze op. De tegenzin waarmee ze de stoelen achteruit schoven was zichtbaar in al hun bewegingen, de manier waarop ze hun benen strekten, zich in hun jassen hezen , hun handschoenen aantrokken. ‘Nou vooruit maar,’ zei Bertus.

Toen ze weer in de auto zaten was er een halfuur verstreken. Bertus startte de bus en deed de verlichting aan. Hij keek naar de dunne, glinsterende neerslag op het asfalt. Het begon al wat lichter te worden, maar het sneeuwde nog steeds en de dag had net zoveel moeite om te beginnen als zij. Bertus ging verzitten en liet nog een enorme knetterende wind en zei ’Eentje voor onderweg’ en weer moesten ze lachen en Fred sloeg van pure vreugde met zijn vlakke hand op het dashboard van de auto.