Op Een Ochtend

Op een ochtend

Salvador Jiminez Hernandez

Toen Salvador op een ochtend ontwaakte en zijn hoofd hief en over het laken naar zijn voeteneinde keek, bemerkte hij dat hij ’s nachts kleiner was geworden.

Hij was kleiner geworden maar zijn buik was gezwollen. Hij herinnerde zich niet een nachtmerrie te hebben gehad. De avond ervoor was hij, zoals gewoonlijk om een uur of elf in bed gestapt en na zich een paar maal te hebben omgedraaid was hij in slaap gevallen, tenminste dat was het laatste wat hij nog wist. Hij was een keer naar het toilet geweest slechts gehuld in z’n onderbroek omdat het zó warm was. Daarna was hij gewoon weer zijn bed ingestapt, maar hij had wel zijn been gestoten tegen een hoek van het nachtkastje.

Toch wist hij zeker dat hij nu niet sliep. De dunne gordijnen konden het daglicht niet langer tegenhouden en van buiten drongen geluiden de hotelkamer binnen die hoorde bij het ontwaken van de stad. In de verte rinkelde een tram, in de straat voor het hotel stoven auto’s voorbij en boven het lawaai uit hoorde hij het fluitje van een politieman die het verkeer regelde.

Hij betaste met zijn handen zijn buik en voelde de lichte glooiing die juist onder het middenrif begon en omhoog rees tot zijn navel, om daarna snel dalend halt te houden voor zijn schaamhaar en even moest hij zijn lul uit de plooi trekken, die bleek dan weer langer te zijn dan vroeger en dat stelde hem dan toch enigszins gerust, of waren z’n handen kleiner geworden, die nu een beetje naar lul roken. Vragen, almaar vragen. Hij stapte uit bed en stond een tijdje onder de douche. Hij droogde zich af en trok verschoning aan, maar zijn pantalon zat hem nu wel erg strak en zijn overhemd en jasje kreeg hij amper dicht. Toen hij zich voorover boog om zijn schoenen aan te trekken vlogen de knoopjes door de lucht en onder het bed.

De inkopers van Tequiero, het bedrijf waar hij voor werkte en die hij vandaag zou ontmoeten kon hij zo toch niet tegemoet treden. De firma had tientallen vertegenwoordigers in dienst, die als hun wegen elkaar kruisten, desnoods met geweld probeerden zich van hun concurrenten te ontdoen. In het begin toen hij was aangenomen na een grondige sollicitatieprocedure, had hij nadat hij door een collega in elkaar was geslagen en in een steeg bij het grofvuil werd terug gevonden zijn beklag gedaan bij de firma. Men had daar hartelijk om gelachen en hem er aan herinnerd waar het gat van de deur was mocht hij iets te klagen hebben. Hij moest immers blij zijn dat hij zo’n fantastische baan had bij de firma.

Salvador Jiminez Herandez keek in de spiegel boven de wasbak en constateerde dat hij er anders uitzag. Hij nam zijn rijbewijs uit zijn binnenzak en bekeek de foto; een al wat oudere man, kalend en grijsgroene ogen. In de spiegel keek een andere man hem aan: veel jonger, bruine ogen en een pafferig vrolijk gezicht met een zwart snorretje. Het verbaasde hem ook dat zijn vingers steeds tokkelbewegingen maakte alsof hij gitaar speelde. Hij deed zijn broek naar beneden en hij had op zijn been een blauwe plek waar hij zich vannacht gestoten had, dit moest toch hetzelfde lichaam zijn.

Het was een raadsel wat hem overkomen was. Hij nam zijn koffer en verliet spoorslags het hotel zonder dat hij door iemand herkend werd en buiten zag hij aan de overkant een muziekwinkel. Hij stak de drukke verkeersstraat over. Toen hij in de etalage van de winkel keek wist hij het; hij was veranderd, hij was geen vertegenwoordiger meer in louche zaken. Hij was muzikant en kocht een gitaar en een grote Mexicaanse hoed. Het ene naar het ander vrolijke wijsje kwam in zijn hoofd. Hij was nog nooit zo gelukkig geweest. Algauw formeerde hij een bandje met de naam; Salvador Jimenez Hernandez and the Mariachi Mexteca band, en speelde de sterren van de hemel.