Ongelijkheid

Ernest Hemingway

Ernest Hemingway

Als je vrede wilt, moet je niet met je vrienden praten, maar met je vijanden. Moshe Dayan

Je hebt een rijke bovenlaag van 10%, een middenlaag van 50% en een onderlaag van 40%. Hierin heb je dan ook nog verschillen van mensen die in totale armoede leven en mensen zoals Elon Tusk, baas van Tesla, met een geschat vermogen van 188,5 miljard dollar. De discussie over ongelijkheid, of het nu gaat om economische, geslachts - of rassenongelijkheid, lijkt de meeste mensen niet bezig te houden zolang ze daar maar weinig last van hebben. In bijna iedere maatschappelijke discussie, variërend van de rechten van de vrouw, de rechten van de minderheden, de rechten van gehandicapten of discussies over wat wel en niet onder discriminatie moet worden verstaan, is het begrip gelijkheid tot een compleet uitgeholde frase vervallen.

Wie wil er gelijk zijn; de have nots, maar waarom zouden de haves dat willen delen, terwijl de meeste dat zelf verdient hebben, of ze hadden een betere startplaats, omdat ze niet geestelijk of lichamelijk gehandicapt waren. Horatio Nelson had één arm en was een fantastisch admiraal. Moshe Dayan had één oog en was een formidabel generaal. Ik heb één neus. Ik zal toch ook wel ergens goed in zijn? Is dat oneerlijk? Is de natuur oneerlijk? Gelijkheid bestaat niet. Sterker nog gelijkheid staat haaks op de (menselijke) natuur. Wanneer we door de geschiedenis heen allemaal gelijk zouden zijn geweest, waren we nu uitgestorven.

De een heeft nu eenmaal betere kansen op overleven dan een ander. Maar het gaat verder. Onderscheid is ook een belangrijke factor van onze persoonlijkheid. Niet alleen zijn mensen niet gelijk, ze willen het ook niet. Ja, net zo rijk als de rijkste of als de knapste man of vrouw, als dat al zou kunnen, maar dan zouden we allemaal even knap zijn en even rijk en niemand zou meer brood bakken of de vuilnis ophalen en we speelden allemaal de hoofdrol in dezelfde film en elke dag voetballen, maar wie gaat er dan nog kijken? Mensen hebben zich altijd en overal willen onderscheiden. In cultuur, in hun uiterlijke voorkomen, in hun prestatie en hun kennis, in de opvoeding van hun kinderen en in rijkdom.

De paradox is dat wij als individu allemaal anders willen zijn als anderen, maar tegelijk als collectief streven naar gelijkheid. Zolang we ongelijkheid niet als een gegeven erkennen, zullen we hierop nooit een antwoord formuleren. We moeten vanuit die verschillen kijken hoe we die effectief voor het collectief kunnen inzetten in plaats ze als een bedreiging te zien.

In plaats van het ontnemen van vermogens van de rijken waarmee je deze vermogens en ook intelligente vermogens (Mozambique) in de praktijk het land uitjaagt en ze kwijt bent, is het wellicht een idee om na te denken over de manier waarop we deze mensen op positieve wijze zouden kunnen stimuleren om het vermogen voor de samenleving in te zetten, zoals het vrijstellen van vermogen dat wordt geïnvesteerd in duurzame energie of cultuur of in de zorg, om maar iets te noemen.

Mensen lijden niet aan ongelijke inkomensverhoudingen maar aan armoede. Ooit dachten we, hoewel goed bedoeld, dat we ontwikkelingslanden uit de armoede konden halen door simpelweg een deel van onze westerse rijkdom aan die landen af te staan. Grote sommen geld, voedsel en andere middelen werden verscheept. We zien helaas dat deze landen na al die jaren nog steeds niet welvarender zijn geworden. Waarom niet? Omdat we hen niet zelfvoorzienend hebben gemaakt ondanks alle hulp. Het enige wat er is gecreëerd is afhankelijkheid.

Armoede word veroorzaakt door een gebrek aan veiligheid, politieke onderdrukking, structurele werkloosheid, gebrekkig onderwijs, slechte medische zorg en ongezonde leefomstandigheden en dat zal moeten veranderen.

Volgens de communistische theorie is de enige manier om de ongelijkheid af te schaffen door het kapitalistische systeem omver te werpen en meestal leidt dit tot een gewapende opstand met ontelbare slachtoffers. En het is niet werkbaar, want dan ontstaat er een andere, nieuwe elite. Daarom is het beter om dit op een democratische manier op te lossen, die wel heel langzaam gaat en lang duurt.

Ik wilde weleens zien hoe het er aan toe ging in zo’n communistisch land en ik ging in 1980 op vakantie naar Cuba, waar ze na de revolutie gratis onderwijs & medische zorg en geen vrijheid hebben. Toch is gedeelde armoe nog steeds armoe en de hele dag muziek maken, suikerriet hakken en sigaren roken hangt op het laatst ook je strot uit. Maar het bezoek aan het huis van mijn lievelingsschrijver Ernest Hemingway, die daar ooit heeft gewoond en er prachtig over kon verhalen in zijn boeken, maakte de reis meer dan goed.

Bron: Victor Broers, Thomas Piketty’s Kapitaal, Samengevat in Nederlands perspectief