Onderbroekenlol

Onderbroekenlol

Lingerie aan een waslijn

Bert begeleidt jongens, met een achterstand op de maatschappij, in de bouw en onderhoud van terpen, een ter bewoning aangelegde verhoging, zodat ze weer zicht hebben op een betrekking bij een reguliere werkgever in de regio.

Een kleine nederzetting met zijn nette bakstenen huisjes ligt in het zonnetje van een late herfstdag te sudderen. Roerloos staan de mannen in hun voortuinen en kijken de straat af of er nog wat gaat gebeuren. Minstens de helft van de bevolking heeft geen werk, de rest verlummeld zijn tijd in de visserij. Het dorp heeft een kerk uit 1897 met veel neoclassicistische details. Vorig jaar is de houten geveltoren van de zaalkerk geblazen en er is geen geld om de toren op te bouwen.

Vanaf de akkers drijft de gierlucht de dorpsstraat in en de fruitbomen staan er aangevreten door de progressierups kaal bij. Late nachtvorst, hagel en zware slagregen hebben hard toegeslagen op alles wat hier ooit groeide en heeft gebloeid. Het is nooit anders geweest. En natuurlijk is door bezuinigingen ook de dorpsschool door kaalslag geveld en zwermen de kinderen uit en zijn al vele verongelukt op de provinciale wegen. In talrijke families heerst stil verdriet waar vroeger gelachen werd. Hier in het hoge noorden toont men zijn emoties niet.

Ook onze man staat werkloos in zijn voortuin, ontslagen nadat ze hem menigmaal slapend aantroffen in de werkkeet. Hij is klein, brilletje, onopvallend en zijn haargrens begint te wijken. In zijn schuur staat zijn trots; een verstelbare houten neukmachine met een leren zadel, voor de rest alleen maar treurigheid.

Op een dag staat brigadier Engerling voor de deur met zijn dienstfiets in de hand en niet met de politieauto waar hij anders mee rondrijdt. Om geen opschudding te verwekken, zegt hij als hij in de gang van het arbeidershuisje staat. Hij heeft op Bert ingesproken al was het een snotneus. Engerling heeft het huis doorgezocht, terwijl motoragent Klootman, met de bijnaam De Koffiepot onopvallend in de achtertuin staat. Nadat alles gewogen is blijkt Bert 100 kilo aan geroofd ondergoed in huis te hebben.

Bert zijn eerste bh’tje was van zijn buurmeisje, wat hij van de waslijn had gehaald toen hij uit de kroeg kwam en nog bij zijn ouders woonde. Later van alles: van die kleine elegante niemendalletjes tot grote witte onderbroeken. Maar ook bustehouders en zelfs zo’n pornopak met een open kruis, die hij weggehaald heeft bij de priester, die het met kleine jongetjes doet. Ook is er nog iemand van de sociale dienst langs geweest en een psycholoog waar hij al enige ervaring mee heeft.

Engerling zegt tegen zijn collega Klootman als ze buiten staan: ‘Waarom heten alle klootzakken Bert?’ De Koffiepot bleef hem het antwoord schuldig. Nu wacht Bert zijn veroordeling af en moet hij verhuizen voor zijn eigen veiligheid, want er zijn al paar keer wat ramen gesneuveld.