Moordenaar

Stadsgevangenis van Delft

Bert van Leeuwen

10 juli 1584, Delft. Willem van Oranje was op weg naar de vergaderzaal. Drie schoten. De Zwijger stortte dood neer op de trap. De hele nacht en morgen werd Balthasar Gerards, die prins Willem had dood geschoten, gemarteld.

Eerst werd Balthasar Gerards met een paar vetleren schoenen aan voor het vuur geplaatst. Hij doorstond twee uur lang het roosteren van zijn voeten, daarna staken ze lange pinnen onder zijn nagels.

De dag na de aanslag werd hij berecht en ter dood veroordeeld en onverwijld terecht gesteld, op de volgende wijze; allereerst werd hij op het schavot geleid en aan het volk getoond. Voor zijn ogen brak de beul het pistool waarmee hij zijn daad had begaan in stukken.

Daarna werd hij uitgekleed, geblinddoekt en aan een paal gebonden. Vervolgens werd zijn rechterhand tussen een roodgloeiend wafelijzer geklemd, totdat deze bijna helemaal verbrand was. Voorts werd hij met gloeiende tangen bewerkt. Hij werd losgemaakt en nog levend op een bank gelegd. Zijn geslachtsdeel werd afgehakt en zijn buik werd ongeveer tot de borst opengesneden. Zijn ingewanden werden naar buiten getrokken, de onderste helft daarvan bijeen gedrukt en weggesneden. Tijdens de langdurige foltering bleef hij flink bij zinnen en bad hij zachtjes. Nadat zijn borst was open gekliefd, werd zijn kloppend hart er uit gerukt en in zijn gezicht gesmeten.

Op dat moment gaf hij de geest. Tenslotte werd zijn hoofd afgehakt en zijn lichaam gevierendeeld. De resten werden aan de stadswallen van Delft opgehangen. Het hoofd van Balthasar Gerards werd op een staak gespietst en voor het huis van de voormalige Prins geplaatst.