Mijn Opa

Herrijzend Nederland

Bert van Leeuwen

‘In de oorlog heeft je opa met een mitrailleur een Messerschmitt, zo’n Duits vliegtuig, uit de lucht geschoten’, zeiden de ooms tegen de kleine jongen.

‘En uit wraak hebben daarna de Moffen zijn oog er uitgeslagen’ en dan keken de tantes altijd wat lacherig weg en riepen in koor ‘Dat laatste is niet waar. Dat was later.'

Opa, de vader van mijn moeder, droeg een bril waarvan één glas van matglas was omdat hij een oog miste. Soms mochten we, mijn broertje en ik, die holle ruimte achter zijn bril zien en er een vinger in steken om te voelen of er echt niets zat, alsof het een knikkerputje was. Opa en oma woonde aan de Riouwstraat in Wormerveer en als ik bij ze mocht logeren gingen mijn moeder en ik altijd door de steeg en dan kwamen we in de tuin aan, die vol met een bloemenzee aan hortensia’s stond, blauwe en roze en het schuurtje van opa wat hij gebouwd had van spullen die hij langs de straat had gevonden. Als je vervolgens door de gang in de keuken kwam, waar de hele wand tot navelhoogte vol stond met pakken Toverrijst van de Lassiefabriek, waar hij werkte en elke dag twee pakken van meenam, want tenslotte heb je ook twee handen en wat de baas u biedt kopen wij niet, dan kwam je in de huiskamer. Als niemand op me lette ging ik door de tussendeur naar de mooie kamer en in opa’s mooie stoel zitten en deed ik net of ik een sigaar rookte uit een doos waar het bijzettafeltje vol mee stond, en waar de kleurige porseleinen beelden me vanaf de kast aankeken.

Hier hing een bord met de afbeelding van een blauwe man met een toeter in zijn mond op een paard die een vlag met een hakenkruis vertrapt en de tekst Herrijzend Nederland naar Vrede en Welvaart, wat ik kreeg nadat hij overleden was maar nu was dat nog lang niet zo. Nu was hij nog mijn opa, die als hij binnen kwam met één hand in zijn zak en met kleingeld rinkelde en zei: ‘Hier heb je een kwartje. Kun je een rolletje snoep kopen.’

Het was de eerste keer dat ik bij opa en oma logeerde. Ik beklom de trap, elke trede klonk anders. Het huis rook naar rottend hout en vocht. Ik bedacht dat ik mijn hele leven door lange, vochtige gangen had gelopen en donkere trappen had beklommen. Toen ik in mijn bed glipte hadden de vloerplanken gepiept als muizen en de muizen achter het behang hadden geknerpt als vloerplanken en kraakten de spanten, alsof er nog iemand was die over ze heen liep. Het was een zachte zomeravond, maar de gordijnen hadden gewapperd en de takken tegen de ramen geslagen, die bibberden in hun sponningen. Ik had het beddengoed over mijn hoofd gedaan en was bijna in het boek van de scheepsjongens van Bontekoe vertrokken naar een warm land.

‘De Moffen komen’ schreeuwde mijn opa. Zijn stem klonk erg jong en hard en hij was bezig zijn slaapkamer in één groot slagveld te veranderen. Hij maakte het geluid van het ratelen van een machinegeweer. Ik dacht dat ik maar eens moest kijken of hij ziek was of dat hij zijn dekens in de brand had gezet als de tactiek van de verbrande aarde zoals de Russen dat geregeld deden als ze aangevallen werden door de Pruis of door een of andere zonderling uit Frankrijk, die geregeld zijn bretels checkte. Ik liep op mijn tenen door het donker - tastend langs de meubels en met een bons een ijzeren kandelaar omduwend - naar hun slaapkamer.

Toen ik licht onder de deur zag, werd ik bang en toen ik de deur open deed zag ik opa in zijn nachthemd zonder gebit en zijn lege oog en met beide handen gebald alsof hij een mitrailleur bediende en hij riep ‘Ik heb hem, de schoft! Ratatatatata…‘ terwijl oma huilend naast hem zat en uit bed kwam toen ze mij zag. Ze nam me mee naar de huiskamer op de begane vloer en gaf me een glaasje melk met suiker en zei ‘Dat gaat wel over. Zo direct wordt opa wel weer rustig.’ En na een tijdje toen alles weer stil was bracht ze me naar bed en stopte me in. ‘Ga maar lekker slapen.’

’s Morgens aan het ontbijt zei opa tegen me ‘Heb jij weleens nachtmerries, jongen?’

Ik zei: ’Nee, opa.’

‘Dat komt nog wel,’ zei hij. ‘Hier heb je een kwartje. Kun je een rolletje snoep kopen.’

‘Je moet die jongen niet zo verwennen,’ zei oma dan.