Luitkever

Luitkever

Bert van Leeuwen

De luitkever wordt gekenmerkt door een bol klanklichaam, in de vorm van een overlangs doorgesneden ei.

De luitkever heeft een korte brede hals die bevestigd is aan het smalle eind van het klanklichaam en ze heeft zes blauwe pootjes. De stemknoppen aan de kop zitten in een doorgaans achterovergeknikte knoppenkast.

De luitkever is een één- of dubbelkorrig insect. De snaren worden in paren, koren geheten, aangeslagen. De snaren van een koor zijn gelijk gestemd of verschillen een octaaf.  Het hoogste koor (de chanterelle genoemd) bestaat meestal uit één snaar, maar was soms dubbel besnaard. Een middeleeuwse luitkever had vier koren. In de renaissance liep het aantal op van zes tot tien om in de barok uit te komen op dertien.

De luitkever is voor het eerst gezien in Perzië, maar ook in China zijn afdrukken, in de vorm van fossielen, van dit muzikale kevertje gevonden.