Lelukstad

Kat, Cat

Bert van Leeuwen

Haar moeder kwam op bezoek. Het regende altijd als ze kwam en anders hagelde het wel met van die grote stenen. Vandaag rommelde ook nog de donder op de achtergrond. Alsof het zo voorbestemd was.

Het eerste wat ze vroeg: ‘Heb je man de dakgoot nu nog niet gerepareerd’, want die hing een beetje door en als er een enorme klap water naar beneden kwam stroomde de dakgoot bij de voordeur over. Dat wist ze dan wel, maar de verjaardag van haar dochter vergat ze al jaren of gaf er in ieder geval geen aandacht aan of ze belde dagen te laat.

‘Nou Ma ga lekker zitten en geef mij die jas maar aan.’ ‘Nou dat is het weinige wat ik nog kan en laat lekker maar weg. Moet je nog stofzuigen, je wist toch dat ik kwam? Of ik nog koffie lust, of je het nooit zou vragen. Het is nog een hele rit naar dat naargeestige Lelukstad. Ze hebben hier niets, behalve een hoop wind en een vliegveld. Ik snap niet wat je hier zoekt,’ en ze stak een sigaret op. Ze rookt haar eigen gedraaide sigaretten, want in die andere zitten kankerverwekkende stoffen en daarvoor is ze als de dood. ‘Moeder ik heb liever niet dat je binnen rookt’. ’Dat bepaal ik zeker zelf wel, maar voor jou stop ik er wel mee. Voor jou heb ik alles over. Je gunt me ook niets en ik heb het al zo moeilijk,’ en dooft haar filtersigaret in de pot van een kamerplant bij gebrek aan een asbak.

‘Er is volop bos en met de kinderen ging ik altijd na schooltijd zwemmen in een bosvennetje hier vlakbij en ze hebben hier hun vriendjes,’ antwoordde haar dochter ‘tien minuten met de fiets, of als het regent gingen we naar het zwembad aan het eind van de straat.’ ‘Ja, maar nu toch niet meer en hoe lang is dat geleden?’ ‘… en er zijn hier geen files.’ ‘Nee, dat is logisch. Wie wil hier nu wonen? Ik zou hier nog geen eens begraven willen worden.’

Haar dochter gaat naar de keuken voor de koffie en zegt in zichzelf: misschien kunnen ze je beter cremeren en uitstrooien boven een werkende vulkaan. En maar zeiken en zeuren. Helemaal nadat ze dat ongeluk heeft gehad en nogal vervelend van een keukentrapje was gevallen. 

‘Ja met melk, dat weet je nu toch onderhand wel. Zelf gebakken, zal wel niet hé. Beetje droog. Ik koop zo’n cake, maar het liefst gebakjes, altijd bij de beste bakker. Is hier ook een bakker? Ik rol van ene verbazing in de ander.’ Even later zegt ze: ‘Nou ja, die cake smaakt best lekker met aardbeien en slagroom, maar met slagroom en aardbeien krijg je zelfs een drol lekker. Was ie in de aanbieding?’

Ze loopt wat moeilijk naar het raam met uitzicht op de achtertuin. ‘Moet je nu eens kijken zit een kat in je afrikaantjes te schijten.’ ‘Die rooie? Ja ik kom er niet van af. Ik heb alles al geprobeerd. Maar hij is zo lief.’ ‘Weet je wat je moet doen. Je koopt een spons. Ja, een spons, een doodnormale huis-, tuin- en keukenspons die ga je bakken of frituren in vet, wat jij wilt. En dan? Nou die kat gaat er van eten en zijn maag raakt verstopt. Buikkramp. Als hij gaat drinken zet die spons uit en je ziet hem nooit terug. Anders denk je maar dat hij verhuist is. Wat nou zielig. Je kijkt zo zielig. Nou ja de leeftijd. Hou oud ben je dan wel niet. 48? Jonger? 45. Nee, ik weet wel wat het is met drie kinderen en dan Sjon. Nee, die is niet moeders mooiste met al dat haar op z’n rug. Heb ie nog steeds die rare koiboihoed op? Doe je het nog weleens met hem. Wat een rare vraag? Nou ik kan me er niets bij voorstellen en als ik het wel doe draait mijn maag om, maar goed het is jou keuze.’

‘Moeder misschien moet je nu maar weg gaan en nooit meer terug komen.’ ‘Voel je wel goed?’ ‘Ma, ik heb hier geen zin meer in. Eigenlijk heb ik het al veel eerder tegen je moeten zeggen.’ ‘Zo spreek je toch niet tegen je moeder! Je bloedeigen moeder!’

Ze doet de deur open, pakt haar moeders jas en haar moeder bij haar arm en zet haar buiten en gooit de deur dicht. Dan gaat de deur weer open. Ze pakt de sleutel van haar moeder af en doet de deur dicht met pijn in haar hart. De brievenbus gaat op een kier en haar moeder roept ‘Je was altijd al een rot kind. Ik wil je nooit meer zien.’

Ze gaat in de gang zitten en begint onbedaarlijk te huilen. Dan gaat de deurbel. Ze doet nogmaals de deur open met een betraand gezicht. Haar moeder, die zegt: ‘Je hebt mijn handtas en daar zitten ook mijn autosleuteltjes in en anders kom ik nooit weg.’ Ze pakt haar moeders tas en duwt haar huilend naar buiten.

De klep van de brievenbus gaat omhoog. ‘Je vader wilde een abortus, maar ik was faliekant tegen en nu zie je hoe ik behandeld wordt’, schreeuwt haar moeder door de gleuf in de deur, waar normaliter de krant, de post en de niet-geadresseerde reclamerotzooi door naar binnen gegooid wordt.