Kruimels

Kruimels, Panorama

Bert van Leeuwen

Het was een bitterkoude dag in Lelystad en niets kon de snijdende wind weerstaan.

Hard en helder riepen stoeiende jongetjes naar elkaar en een meisje met prachtig rood haar gooide een sneeuwbal tegen het raam van een vrouw die er vermoeid uitzag en haar middelvinger opstak.

Stapvoets met de auto of met de fiets aan de hand met boodschappentassen, met blauwe neuzen en paarse lippen, de blik op oneindig, gesjaald en gewant knerpten de sneeuwpoppen door klein Lapland op weg naar de winkel of hun werk, terwijl Karl bezig was met zijn zoektocht naar scherven van zijn verleden op deze zeldzame, venijnige witte winterdag.

Karl was met pensioen en op zoek naar de kruimels van een mensenleven in de geschiedenis. Hij groette de mensen die achter de kassa zaten toen hij naar binnen stapte. Een minzaam knikje, voor hun was hij gewoon sneeuwpop nummer zoveel. Karl vroeg: ‘Kennen jullie Karl Marx?’ Ze keken hem meewarig aan. De meeste van de vrijwilligers die hier zaten verdiepten zich weer in hun bezigheden. De een in haar breiwerkje, de ander was bezig de Eiffeltoren te bouwen met 1150 lucifertjes en verderop hield iemand uitgedost als Romeinse soldaat de wacht.

Karl ging verder: ‘Hij was een grondlegger van de arbeidersbeweging en een centraal figuur in de geschiedenis van het socialisme en het communisme.’ ‘Hoe heette hij?’ ‘Hoe zag hij eruit?’, vroeg een kromgegroeid vrouwtje, die als enige nog geïnteresseerd was in de vragensteller, min of meer uit beroepsdeformatie daar ze jarenlang een klein snoepwinkeltje had bestierd toen de armoede nog welig tierde en zij in de man die nu momenteel bij haar aan de kassa stond meende iets te herkennen van wat ze al jaren kwijt was. ’Karl Marx. Grote kerel. Woest grijs lang haar en een grote baard. Hij lijkt een beetje op mij maar dan veel jonger. Hij was een Duits denker die de politiek sterk heeft beïnvloed. Hij heeft het boek Das Kapital geschreven.’ ‘Nee’, schudde ze, ‘die ken ik niet. ‘Karl Marx’. Ja, die ken ik wel,’ zei een al wat ouder heerschap met een witte krulsnor, verstoord opkijkend uit een kwijlslaapje. De man zelf was vroeger piekenier in het Staatse leger geweest en had nog tegen de Spanjolen gevochten. ‘Met een baard? Hij heeft die boot gebouwd, toch?’ ‘Nee, dat is een ander.’ ‘Nou dan weet ik het ook niet. Wilt u nog een kaartje?’

Zonder goedemorgen of ik wens u geen goedemorgen maar een prettig leven, want daar heeft u veel meer aan, nam Karl afscheid en ging weer naar buiten. Alles was weg in de gestaag vallende confetti uit Siberië op deze winterdag. Karl wierp een schichtige blik uit zijn omhulsel van sjaals en bivakmuts als een Inuit met een slecht geweten en wat rest waren zijn voetstappen in de sneeuw.

Karl ging naar huis en rilde toen het weer begon te sneeuwen. Hij keek op naar de sneeuwvlokken die uit de hemel neerdwarrelden als verscheurde kerstkaarten.