Knopen

Rozen, Michel Ditzel

Michel Ditzel, Rozen

Je moet kunnen knopen al is het maar om je eerste indiaan aan een boom vast te binden, als je cowboy en indiaantje speelt.

Wij zaten om zes uur aan tafel tijdens het eten toen de deur bij de buren open ging met een hemelschreiend jankende geluid van de dranger en met een klap dicht ging nadat de buurvrouw ‘Cor-tje Eten!!!’ had gegild. Maar nu tot driemaal aan toe, totdat ze bij ons binnen stond aan de eettafel en ze aan mij vroeg waar Cortje was. ‘Ik denk dat Cortje nog buiten is,’ zei ik stoïcijns, terwijl ik nog een hap nam van mijn avondeten. ‘Maar waar dan?’ op zo’n huilerige toon waar ik altijd wat lacherig van word. ‘Cortje was de indiaan.’ ’En?’ ’Wij waren de cowboys.’ ‘Ja?’ en nu keek ook mijn vader mijn kant op met een blik van ik ben dat mens wel een beetje zat en vertel het nu maar. ‘Cortje hebben we vastgebonden aan een boom en toen moesten we eten.’ Buurvrouw rende het park in waar wij Cortje hadden achter gelaten met zijn hoofdtooi van gekleurde kippenveren nog op. Mijn vader had het niet zo op haar omdat ze ooit had gezegd dat haar rozen in de tuin mooier waren dan die van hem en dan die dranger met dat hemeltergende geluid, elke keer dat de achterdeur open en met een klap weer dicht ging.

Jaren later probeerde ik de kinderen uit de klas van mijn zoon in een lokaal van de lagere school bij te brengen hoe je een vlieger maakt. Ik had metseldraad, crêpepapier en bamboe stokken meegenomen. Wij splitsten de bamboestokken door de helft met een aardappelmesje, maar de kinderen maakten op mij een nogal onhandige indruk. Zelfs de bamboestokken tot een kruis knopen lukte niet, maar nadat ik bijna alle vliegers had gemaakt konden ze eindelijk op het frame crêpepapier plakken en zag het resultaat er toch enigszins goed uit, totdat een van die kinderen naar me toe kwam en zei: ‘Meester, mooi hé, ik heb er gaten in geknipt.’

Ik wil alleen maar zeggen dat de waardigheden die ik op straat heb opgedaan verleden tijd zijn en daar zijn ander waardigheden voor in de plaats gekomen, maar knopen zit daar niet meer bij. Of je moet lid zijn geweest van de Pleeverkenners of de Gatvinders, maar daar mocht ik niet bij want mijn vader vond dat te veel weg hebben van de Hitler Jugend met hun kousen, korte broek en een sjaaltje om hun nek en een petje op en hun dienstbevelen op geschreeuwde toon. Dat vond ik wel jammer want daar kon ik nog beter worden in fikkie steken en indianen aan bomen vast knopen en dingen door midden snijden met mijn gatvindersmes.

Twee jongetjes van de scouting hadden de auto van mijn buurman ingezeept en gewassen voor een kwartje en dat moesten ze afdragen aan hopman Van Rukum, in het kader van ‘Een heitje voor een karweitje’. En dan ik. Ik kreeg een hele rijksdaalder van mijn oom nadat ik zijn Volkswagen Kever had gewassen. En toen was ik wat blij dat ik niet bij die verkleuterde terreurorganisatie zat.