Hij groef zich omhoog

China

Bert van Leeuwen

Elke dag om zeven uur ’s avonds ging meneer Van den Heuvel naar zijn schuurtje. Hier bevond zich niets dan een enorme schacht naar beneden. Deze put was verstevigt met planken en balken en wel achttien meter diep. In het begin ging het hem gemakkelijk af en kon hij de afgegraven grond gebruiken om zijn tuin op te hogen. Later moest hij de aarde steeds verder in de buurt afleveren.

Stel je toch eens voor dat de buren er achter zouden komen. Ze zouden hem uitlachen en hoon zou zijn deel zijn. Hij had ooit een verhaal gelezen over krijgsgevangenen die opgesloten zaten in een Duits concentratiekamp; Stalag Luft III. Ze hadden drie tunnels gegraven, waarvan één honderd meter lang was. De opgegraven grond dumpten ze via kleine zakken langs de zijkant van hun benen op de grond. Zij die rond liepen om het zand te verspreiden werden door hun medegevangen pinguïns genoemd.
 
Om de opgegraven grond te verspreiden had Meneer Van den Heuvel een speciale zak gemaakt die hij op zijn buik droeg onder zijn jas. Hij stelde zich dan voor dat hij ook een pinguïn was. Zo liep hij vrolijk rond door zijn buurt. Om zich een alibi te verschaffen had hij een hondje aangeschaft en noemde de reu Toby Rix, naar zijn grote held. Ooit toeterde Toby Rix de wereld rond met zijn zelf ontworpen Toeterix, een frame behangen met toeters en bellen. Toen zijn collectie toeters verloren ging werd er een landelijke actie gehouden waarbij een grote hoeveelheid toeters werd ingezameld. Meneer Van den Heuvel had hier ook het zijne aan bijgedragen; een plastic fluitje aan een groen koord. Meneer Pot meende ‘Een fluitje is toch ook een beetje een toeter.’
 
Het was voor meneer Van den Heuvel elke keer weer een intens genoegen als hij in zijn eigen zelf gegraven schacht keek. Hij kreeg dan een gevoel van macht. Niet alleen zijn huis en de tuin was van hem, maar ook de grond daaronder, tot aan China. En dan groef hij weer verder en vulde de emmertjes met grond met een lach op zijn lippen.
‘Het is allemaal van mij, van mij,’ mompelde hij bewogen voor zich uit. Soms riep hij heel hard ‘Van mij. Van mij,’  Meneer Van den Heuvel voelde zich een rijk en machtig man en dacht telkens ‘Als ik eenmaal aan de ander kant van de aardbol kom zeg ik tegen zo’n Chinees gewoon ‘Goedemiddag’ en ‘Pas op en val er niet in.’ Menigmaal als hij in zijn put bezig was had hij het idee dat hij al wat Chinees kon horen en de loempia’s kon ruiken.
 
Overdag is meneer Van den Heuvel directeur van een bouwerij, maar ’s avonds gaat hij los. En zo graaft hij elke avond de grond weg onder zijn schuurtje, om uiteindelijk in China uit te komen.