Frits

Militaire Dienst 1978/79

Parate hap op speurtocht

Tijdens mijn diensttijd ontmoette ik Frits. Hij kwam uit Den Haag en het eerste wat ik hem in die typische Haagse tongval hoorde zeggen was: ‘Héé, koekûhbakkâh… laup nie te zeikûh,’ toen bij de poort iemand naar zijn legitimatie vroeg.

We waren gelegerd in Amersfoort en in opleiding voor hospik. Als we opstonden in een slaapkamer waar we met twaalf man lagen te meuren zei Frits altijd dat ie zo’n zin had in een zedendelict met een ontzettend grote donkere mevrouw (toen je dat nog mocht zeggen). ‘En wat zullen we vandaag weer eens aantrekken.’ Overigens was hij een doodgoeie jongen, ijskoud en brutaal als de beul.

We gingen voor het eerst stappen in Amersfoort en na de nodige fusten bier vroeg ie toen we langs een homocafé liepen, alleen toegankelijk voor leden: ‘Bert kun je even met je handen in elkaar voor de deur van die homotent gaan staan.’ Frits ging in mijn handen staan, deed zijn gulp open en klopte op het luikje in de toegangsdeur. Nadat het deurtje open zwaaide zei Frits: ‘Is dit lid genoeg.’ Hij sprong uit mijn handen terwijl ik zijn lul op m’n oog kreeg. Ik sloeg hem op zijn strot zodat hij een paar dagen lang pap moest eten en daarna waren we vrienden. Zo gaat dat… soms.

We hadden een oefening in Duitsland, 1979. We reden door kleine Duitse plaatsjes die we als Lulbroekerstront, of Verneukschoten op de plastic omslag van de topografische kaart schreven. We deden maar wat. Waar we kwamen was het met de rust gedaan; dan werd er in het Hollands geschreeuwd en gevloekt en ook vaak gevochten. We reden rond in twee Nekaf jeeps en een 3-tonner. Het was een kolfje naar mijn hand en af en toe schoten we met onze pistolen op een Duitser of een Duitse herder met wat losse flodders als hij ons begroette met dat o zó typische gestrekte armgebaar en dan hadden we weer een oude mof gelokaliseerd met zijn ‘Ich habe es nicht gewusst’. (En nou niet ‘ach wat zielig’ het is tenslotte alweer meer dan 40 jaar geleden.)

Om zes uur in de middag reden we Poepjanknor binnen. Voor het gemeentehuis stond de burgemeester met een klein snorretje onder zijn neus, net als de overige notabelen trouwens, op ons te wachten. Hij had voor ons een feestmaal laten bereiden en we stapten de Bierhalle in waar we werden voorzien van een copieuze maaltijd met het nodige bier en vlees, veel vlees en bier. Na het eten gingen we de auto’s camoufleren en de tenten opzetten. Maar Frits en ik niet, want wij vonden dat niet nodig, wij sliepen op de brancards in de vrachtwagen. De chauffeur van de drietonner was het daar niet mee eens en die hebben we toen maar over een heg gejonast; ’Van Jonas die in de Wallevis zat. Van je één, twee, drie.’ Achter de heg liep een betonnen trap naar een kelder - wat wij niet wisten - zodat de chauffeur behoorlijk beschadigd weer naar boven kwam, maar daarna was hij het wel onvoorwaardelijk met ons eens dat wij als oude stompen het meeste recht hadden op deze slaapplaatsen.

De volgende dag kregen Frits en ik de opdracht om met de Nekaf, een jeep met plaats voor twee brancards, een oefengewonde op te halen die ergens in het veld lag. We kregen de aanwijzing om de dorpsstraat uit te rijden en de eerste weg rechts in te slaan en dan 100 meter van de weg zou de gewonde liggen. We besloten de dorpsweg uit te rijden tot we uit het zicht waren en te stoppen bij het eerste de beste cafeetje om te gaan ontbijten met koffie, bier en uitsmijters. Daarna reden we heerlijk de hele dag - in het zonnetje - Duitsland in de rondte met de jeep, op zoek naar de gewonde die we niet konden vinden. Zo tegen de avond reden we terug naar ons peloton, maar de jongens hadden zich al verplaatst, zodat we terug gingen naar de kazerne in Seedorf, waar we ons afmelden. En nu ik dat zo allemaal opschrijf; dat kon zo alleen maar gebeuren omdat we geen mobieltjes hadden, goddank.

Na mijn diensttijd, jaren later, ging ik samen met mijn vriendin een keer naar Den Haag en zo waar alsof ie al die tijd op mijn gewacht had, daar stond Frits met zijn meissie in De Passage, een grote overdekte winkelgalerij met een glazen dak uit 1885 met chique winkels en cafés, en hij zei: ‘Heb je die jas nou nog aan’. Nadat ik uit dienst kwam heb ik nog een hele tijd mijn legerjas aangehouden, omdat ik het achteraf een geweldig leuke tijd vond en dan vooral de periode in Duitsland waar we op de Russen moesten wachten, die maar niet kwamen, gelukkig maar.