Dodenherdenking

Bekanntmachung

Bert van Leeuwen

Op 3 oktober 1944 wordt in Wormerveer de collaborateur Gerben de Graaf neergeschoten door het verzet. Vier dagen later, op 8 oktober wordt de foute politieman Bouwens terechtgesteld door verzetsmensen.

Op 11 oktober worden op de Zaanbocht in Wormerveer omstanders tegengehouden. Ze moeten toezien hoe vijf aan elkaar geketende mannen op de kade worden geposteerd en gefusilleerd door de Moffen als wraak.

Op 4 mei staan mijn vader en ik hier voor de dodenherdenking bij het monument en de twee minuten stilte zijn ingegaan. In deze geluidloosheid klinkt ineens een enorm lawaai, geknetter en gepruttel. Uit de verte nadert iemand op een bromfiets. Als de man langs ons voorbij rijdt trekt mijn vader, die ontzettend groot en sterk is, hem van zijn brommer, die nu onbemand tegen een elektriciteitshuisje aanbotst en doodstil blijft liggen. Mijn vader voegt hem toe ‘Wat moet je vuile NSB’er’. Verdwaast kijkt de man mijn vader aan. Inmiddels zijn de twee minuten stilte voorbij en de burgemeester stapt achter de microfoon voor een toespraak.

Mijn vader sleept het heerschap wat uit het zicht van de menigte. Eenmaal daar zegt mijn vader, die al wat rustiger is geworden: ‘Wat moet je klootviool! Heb je nooit van de dodenherdenking gehoord? Vier mei! Lul.’

‘Dat was ik glad vergeten, maar dat komt zo’, zegt de man ’Ik kom net uit het ziekenhuis bij mijn vrouw vandaan. Ze is aangereden door een vrachtwagen met oplegger en ik ben terminaal. Ze zeggen; ‘Alles wat begint met te is niet goed, behalve tevreden’. Rijd ik onderweg ook nog een zwarte kat aan. Dus u begrijpt het was me het dagje wel en nu dan ook nog mijn brommer, de uitlaat zit wat los. Dus ik neem het u niet recht kwalijk’, sprak hij. ‘Toen ik vanochtend opstond’, ging hij verder ‘was de eerste gedachte die door mijn hoofd schoot: Dodenherdenking. In al die jaren heb ik geen ene keer overgeslagen. Ik kan me wel voor me kop slaan, maar dat moet ik beter niet doen vanwege mijn zwakke gezondheid.’

‘Sorry’, zegt mijn vader en zet de man weer op de grond. Ze lopen naar de brommer die bij het elektriciteitshuisje ligt en mijn vader zegt ‘Zo te zien is er niets mee aan de hand.’ Hij klopt hem nog een keer geruststellend met zijn reusachtige hand op zijn schouder waarbij ik de man ineen zie krimpen en zegt ‘Nogmaals sorry en laat het niet weer gebeuren.’ Mijn vader draait zich om en geeft mij een knipoog, en samen lopen wij hand in hand terug naar de dodenherdenking.

Een meisje draagt net het laatste couplet voor van het gedicht Het lied der achttien dooden geschreven door Jan Campert. Het gaat over achttien verzetsstrijders die in hun cel op hun executie wachten.

Ik zie hoe 't eerste morgenlicht
door 't hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht
- en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw gena,
opdat ik heenga als een man
als 'k voor de loopen sta.