Dagboeken Van AH

Hitler

Bert van Leeuwen

Journalist Heidemann ontcijfert de initialen als AH en beseft meteen dat hij in zijn bibberende handen het dagboek van Adolf Hitler houdt. Hij kan de inhoud niet goed lezen, maar hij weet dat de ruim honderd dichtbeschreven bladzijden een schat aan informatie moeten bevatten die een geheel nieuw licht op een van de zwartste periode uit de wereldgeschiedenis zullen werpen. 
 
Als de antiquair na een paar minuten het dagboek voorzichtig uit de handen van Heidemann pakt en teruglegt in de brandkast, brandt de journalist van nieuwsgierigheid. Hij wil alles weten: waar komt het dagboek vandaan, bestaan er meer van, en hoe is de antiquair erin geslaagd het in handen te krijgen?
 
De antiquair legt uit dat hij nauwe contacten met een officier uit Oost-Duitsland onderhoudt. Voor zover hij weet, zouden er nog meer delen moeten bestaan, die de periode van 1932 tot de zelfmoord van Hitler op 30 april 1945 beslaan. De boeken zijn in de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog opgedoken in het oosten van Duitsland, toen een vliegtuig met persoonlijke bezittingen van Hitler neerstortte op een schuur in het plaatsje Börnersdorf ten zuiden van Dresden. Plaatselijke boeren borgen de lading van het brandende Junkers-wrak en bewaarden deze op een hooizolder. Een generaal-majoor van het Oost-Duitse Nationale Volksleger heeft de dagboeken later onder zijn hoede genomen, zo vertelt de antiquair.
 
Na dit bezoek raakt de journalist in de ban van wat hij gezien heeft. De paar fragmenten die hij heeft kunnen ontcijferen – iets over Hitlers geliefde Eva Braun en twee honden – prevelt hij voortdurend in zichzelf, als in een trance. Hij wil niets liever dan de overige dagboeken in bezit krijgen. De antiquair weigert de naam van zijn contactpersoon te geven, maar belooft spoedig weer contact met hem op te nemen.
 
Maanden verstrijken zonder telefoontje, en in het najaar van 1980 besluit Heidemann zelf op onderzoek uit te gaan. Hij wil weten of de vliegtuigcrash ook echt plaatsgevonden heeft. Dat blijkt het geval en Heidemann brengt een bezoek aan het dorp Börnersdorf in de DDR. Veel van de oudere inwoners kunnen bevestigen dat er in de laatste dagen van de oorlog een Junkers Ju 352 op klaarlichte dag boven het dorp is neergeschoten. Bij de crash kwamen alle inzittenden om, maar een aantal inwoners wisten een ijzeren kist uit de vlammen te redden. De bemanningsleden werden hier begraven, en nadat de journalist hun graven met eigen ogen gezien heeft, weet hij het zeker: de dagboeken zijn echt, en hij is bereid hemel en aarde te bewegen om ze in handen te krijgen. 
 
Opnieuw neemt hij contact op met de antiquair en laat hem weten dat hij een vermogen wil betalen voor de dagboeken. De antiquair speldt hem op de mouw dat hij via zijn broer in Oost-Duitsland wel aan de complete collectie dagboeken kan komen. Maar hij zegt erbij dat de levering stuksgewijs plaatsvindt – de dagboeken moeten verborgen worden in piano’s om ze de DDR uit te kunnen smokkelen. Heidemann moet dus geduld hebben, maar uiteindelijk zal hij alle dagboeken in handen krijgen belooft de antiquair. Hij is de deur nog niet uit of de charlatan gaat achter zijn bureau zitten en pakt zijn vulpen. Binnen een paar dagen heeft hij een tweede dagboek in elkaar geflanst.
 
Als Heidemann zijn buit toont aan Manfred Fischer, het hoofd van de uitgeverij van dagblad Stern is hij bijna extatisch. Fischer laat zijn vingers over het zwarte omslag glijden, waarna hij Heidemann een schouderklopje geeft. Dan bladert hij voorzichtig in het dagboek en leest plechtig een passage voor uit het geheime dagboek van Adolf Hitler; 
 
Laatst was ik in een gymzaal en flapte eruit; ‘Hééé topper, alles kits achter de rits,’ tegen de eerste de beste gymnast die in de rij stond en die ik later meenam naar mijn geheime bunker.’
 
Dagblad Stern pakt groots uit met de Hitlerdagboeken. Op 28 april 1983 verschijnt het dikste nummer aller tijden: 356 pagina’s plus een bijlage van 48 pagina’s met fragmenten van de dagboeken. Normaal is de oplage van het weekblad een half miljoen, maar van het speciale nummer werden maar liefst 2,3 miljoen exemplaren gedrukt.
 
Als vele gerenommeerde onderzoekers later de 60 dagboeken onderzoeken blijkt het allemaal broddelwerk te zijn, op papier van na de Tweede Wereldoorlog.