Broodtrommeltje

Opa Van Leeuwen

Bert van Leeuwen

‘Jouw opa is de enigste opa die met lossen handen mag fietsen’. ‘Waarom?’ vroeg de kleine jongen.’ Omdat opa vroeger op de fiets trommel speelde bij de bereden fanfare, in het Nederlandse leger', zeiden mijn ooms.

En toen ik dat thuis vertelde aan mijn vader zei hij: ‘Ze bedoelen zeker een broodtrommeltje.’

Wat mijn opa, de vader van mijn vader, maar niet zijn echte vader, veel deed was vissen. Opa had een brommer, wat toentertijd de auto van de arbeider was. Die brommer stond in de gang achter de voordeur. Ooit had één van mijn ooms de brommer gestart en die was met vol geraas van zijn standaard af gekomen en zo de keuken ingereden en alle kopjes en schoteltjes kapot en het kastje waar alles in opgepropt stond was verwrongen tot een abstract kunstwerk van Picasso.

Met die brommer ging opa naar de beste visstekjes met zijn vismaat Ten Broek, die ook een brommer had en een viszaak, met de mooiste hengels en dobbers en een grote bak met allemaal wurmen en ook maden, die als ze te lang in hun groene bakje met allemaal gaatjes in de deksel van mijn vader rondwriemelden begonnen te zoemen en te brommen. Toen zijn kameraad Ten Broek een vis ophaalde schoot zijn kunstgebit van pure vreugde het water in. Een korte poos later deed opa ongezien zijn bovengebit aan het haakje van zijn hengel en na een tijdje haalde hij op en zei ‘Kijk! Gerrit je gebit!’ Gerrit haalde het van het haakje en paste het in zijn tandenloze bakkes en wierp het weer terug in het water. ‘Nee Klaas het is niet de mijne.’

Opa ging met zijn jongens vissen bij Castricum aan Zee en omdat hij de meeste vis had gevangen of omdat ze vonden dat hij gewonnen had kreeg hij een beker. Tijdens het bier drinken na afloop zei hij tegen de ober met tranen in zijn ogen ‘Kijk die heb ik van mijn jongens gekregen’, en omdat hij zijn leesbril niet bij zich had vroeg hij aan de ober om de tekst voor te dragen die op zijn beker stond. - Ik bedenk me nu opeens dat hij misschien wel niet kon lezen. - Maar goed, de ober leest de tekst en zegt ’Hier staat tweede prijs Hengelsportvereniging Sport Doet Leven, Wormerveer.’ En opa zei ‘En die is van mijzelf!’ De beker was weken eerder ontvreemd uit zijn prijzenkast die vol stond met bekers, lintjes en andere prullaria die hij bij elkaar had gewonnen met vissen.

Ja, opa was goed met de hengel die had mijn vader menigmaal op zijn kont gevoelt. Misschien klinkt het wreed, maar zijn we nu niet te soft. Als ik op straat had gevochten en me bij mijn vader beklaagde dan zei ie altijd ‘Dan pak je maar een stuk hout’, en dat deed ik dan en zo heb ik menig ruzie opgelost.

Ik ging een keer met opa wandelen en bij de begraafplaats wees hij over het ijzeren hek naar de met engelen versierde stenen en de armoedige houten kruizen en zei ‘Je hebt er niets aan om daar te liggen.’

Mijn opa is de derde van rechts.