Brandend Zand

Belastingdienst

Belastingdienst

Hij kon niet meer functioneren bij zijn oude werkgever, nadat hij was aangereden door een bestelauto van Toos en Piet Neukniet, die hun namen bij elkaar gehusseld hadden tot TOPI en een escortbureau waren begonnen.

En opeens wist hij het; Hij werd controleur bij de Belastingdienst, toen kwam er ook nog een scheiding overheen. Tegenslag op tegenslag. Hij was niet in staat zijn kleine huishouding op orde te brengen. Alles in huis was stoffig, behalve de keuken die was hoofdzakelijk vet. Geïrriteerd keek hij de slaapkamer in naar het grote bed en de groezelige lakens die bezaaid lagen met zaagsel en houtspaanders, want voor het slapen sneed hij zichzelf een bakje of een lepeltje van hout, dan voelde hij zich rustig en vredig en gelukkig.

In de eens zo gezellige huiskamer was het een bende. De planten lagen verdord in hun potten en overal wasgoed, maar elke dag ging hij als controlemedewerker van de Belastingdienst vrolijk aan het werk. Zijn bezigheden deed hij met een kalme precisie en eerlijk dus meedogenloos paste hij de wetten en bepalingen toe. Alle wanbetalers had hij wurgend bij de keel. Dan moesten ze maar hun geld beter besteden. Eerst poen over de balk gooien en daarna verzuimen belasting te betalen om vervolgens jammerend naar de sociale dienst te hollen.

En daar veerde hij reeds de trappen af in zijn gezondheids veterschoenen van Dr. Goebbels. In de gang stond zijn dienstkoffer op hem te wachten. De dienstauto op straat stond er koud en nat bij. De troep buiten had zich metershoog als guirlandes rond de lantarenpalen en stoepranden verzameld. Het werd tijd dat de milieupolitie ook hier met harde hand en wapenstok ingreep. De vuilnisbakken stonden kladderatsj langs de weg, plastic vuilniszakken waren opengescheurd en een paar oude matrassen dreven in plassen regenwater. Vanachter de natte voorruit keek hij naar een jonge vrouw op de fiets met een peuter voor- en achterop. Hij kende haar wel, zo’n bijstandsvrouwtje dat zwart als werkster wat bijverdiende. Hij moest de sociale dienst hier maar van verwittigen. De ochtendstond heeft goud in de mond en hij ging op pad om een hoop levens ernstig aan te tasten met een dwangbevel, op de voet gevolgd door deurwaarders met een beslagopdracht.

Opeens kwam de evergreen Brandend Zand van Anneke Grönloh als een golf maagzuur omhoog en zong hij zachtjes voor zich uit; Brandend zand en een verloren land. En een leven vol gevaar. Brandend zand berooft je bijna van ’t verstand. En dat alles komt door haar.’