Brand. Brand. Brand!

Brandweermannetje

Brandweermannetje

Er was eens een huisje en daar ging op een nacht het brandalarm af. Ik belde 112 en deed verslag aan de dienstdoende telefoniste. Ding! Ding! Ding! In de brandweerkazerne klinkt het alarmsignaal. Ding! Ding! Ding! De Brandweermannetjes laten hun soep staan en roetsjen langs de glijpaal naar beneden, die in de garage uitkomt.
 
‘Vlug, vlug’ schreeuwt het Eerste Brandweermannetje die de commandant is. Hij zet zijn brandweerhelm op, springt in de rode brandweerauto en laat de blinkende koperen brandweerbel klingelen. ‘Brand. Brand. Brand! Vooruit naar de brand!’ De andere Brandweermannetjes volgen hem met rasse schreden en ze racen weg.
Ping ping ping ping ping! En de sirene roept Oei oei oei oei!
Nu gaan ze langs het station en over de rotonde.
Ze zijn er bijna. Bijna, bijna, bijna…
En daar is het huis!
 
Gelukkig daar komen de Brandweermannetjes om de hoek en ze gaan meteen aan de slag. De commandant schreeuwt de bevelen, zodat iedereen weet wat hij moet doen. Er wordt bij het bewuste adres aangebeld waar het hoge irritante geluid uit komt. Niemand thuis. Er wordt bij de buren aangebeld en ook zij hebben het geluid gehoord, maar er niet op gereageerd. Toch is het alarm zelfs op straat duidelijk te horen. Twee Brandweermannetjes proberen de voordeur in te beuken met een stormram, maar behalve dat de voordeur nu krom gebogen in het kozijn hangt wijkt hij niet verder uit zijn voegen. Alleen nu is het geluid nog beter te horen. Een Brandweermannetje rolt zijn slang uit en maakt hem vast aan de waterleiding. Hij draait de kraan open. Het water wat in dikke buizen onder de grond stroomt spuit de slang in. Psss psss psss psss. De slang beweegt van al dat water. Ondertussen gaan de Brandweermannetjes naar de achterdeur en breken door de manshoge tuinafscheiding die ze in elkaar trappen. Ze ploegen door het moestuintje zodat de vroege sperziebonen door de lucht vliegen. Bij de achterdeur aangekomen slaan ze het raam aan stukken met een brandweerbijl. De Brandweermannetjes klimmen naar binnen en rennen met hun bemodderde laarzen over het hoogpolig tapijt naar boven waar het geluid vandaan komt. Hier constateren zij dat de batterijtjes leeg zijn van de rookmelder en dat dit de oorzaak is van alle herrie. Hierop verlaten de Brandweermannetjes het totaal verwoeste huis.
 
‘Goed dat er geen brand was’ zegt een van de Brandweermannetje. ‘Zeg dat wel’ zegt een ander Brandweermannetje. Hij rolt de slang op. Dan rijden ze de straat uit op weg naar de kazerne. Alweer een klus geklaard. De Brandweermannetjes zijn nat van het zweet. De snor van de commandant is helemaal uit de krul. Nu moeten ze de brandweerauto nog schoon maken. Ze poetsen de bellen en de sirene en alle spullen, want als er weer een alarm komt moet alles er blinkend uit zien. En dan kunnen de Brandweermannetjes eindelijk hun helmen en hun jassen aan de kapstok hangen. Ze wassen zich en gaan aan tafel. Die avond komt er geen oproep meer. De Brandweermannetjes gaan gezellig bloemkool eten met een papje en een lekkere bal gehakt. Daarna gaan de Brandweermannetjes naar hun ledikant. Met hun hoofd op hun kussen dromen zij van brandjes blussen.
 
Als de batterij bijna leeg is, piept de rookmelder af en toe om dit aan te geven. In de handleiding van je rookmelder lees je hoe regelmatig deze piep te horen is bij jouw rookmelder. Vervang de batterij van de rookmelder of koop een nieuwe rookmelder als je een rookmelder hebt waarvan de batterijen niet te vervangen zijn. Doe je dit niet op tijd dan komen de Brandweermannetjes langs. Dus wees gewaarschuwd.