Bent U Een Duitser?

moppie

Moppie

Mijn vader, waarvan ik toen nog niet wist dat hij mijn vader zou worden, reed op zijn Fongers fiets door de schemerstraten van Wormerveer langs de winkel van grootgrutter SPAR met automaten voor snoep en sigaretten aan de muur.

Hier zou later mijn vriendje opgepakt worden omdat de kruidenier het vermoeden had dat hem iets ontvreemd was.Toen hij vroeg hoe ie heette zei hij ‘Gerard Borrelnoot,’ een valse naam die zo doorzichtig was als natte koek. Plotsklaps wist ook de winkelier wat de lege plek tussen de pinda’s en de chips betekende in het schap waar eens een zakje met versnaperingen had gestaan.

Mijn tante had een keeshond en die heette Moppie en toen ze zwanger was gaf ze Moppie aan haar broer, die inmiddels met zijn fiets bij de SPAR was aangekomen. Moppie liep aan de lijn op het trottoir en mijn vader reed aan de andere kant van de lantaarnpaal, zodat hij weldra van zijn fiets gerukt werd.
Nadat ik geboren was versleet Moppie het tapijt onder mijn wieg en kon iedereen een snauw en een grauw krijgen. Moppie vertrouwde niets en niemand en koesterde altijd argwaan, zelfs tegen zijn eigen naam als die op een papieren briefje stond geschreven.

Vandaag scheen de zon, die heerlijke zon. Hommels met dikke bruine truien aan met van die gele strepen erop vlogen door de zware lucht van paardenbloempluizen en zoete bloemengeur van paarse en roze bloemenstruiken. Daar was ook de plek waar ik altijd oude kranten in de brand stak. Dit had ik geleerd van mijn moeder als we samen de kolenkachel aanmaakten, toen de ijsbloemen nog op de ramen stonden om ons te begroeten wanneer we uit onze warme bedden kwamen. Takken bewogen zachtjes in de wind, de zon maakte vlekken op het gras en de gezichten van de mensen, die langs liepen, rookten en lachten. Mieren liepen over de grond en verschrompelden als je er een vergrootglas boven hield. De gevaarlijke sloot waar altijd de bullebak op ons loerde, ook als je sliep en zich schuil hield onder het eendenkroos. Mijn buurjongetje verdronk bijna in het zwarte water, nadat hij de flat had verlaten toen het hekje op de galerij van de flat open stond. We waren nog zo gewaarschuwd, maar hier zwommen de stekelbaarsjes en watervlooien en andere beesten met harde zwarte schilden en kikkers en eendjes die brood aten uit je hand.

Ik deed de voordeur van de flat open en dacht nu komt mijn verhaal. Alles begon al en ik had nog niets gedaan of besloten en toch zat ik er al middenin. Ik deed het hekje op de galerij open. Ik kwam van driehoog naar beneden samen met mijn hond, die altijd dacht dat we naar de slager gingen om een bot te halen. (Toen mochten honden nog los lopen en hoefden niet aangelijnd te zijn.) We liepen langs de zijkant van de flat naar de autoweg. Moppie keek eerst naar links en toen naar rechts en samen staken we over. Ik vertrouwde hem als een roeiboot haar aanlegsteiger. Moppie wandelde altijd met me mee naar de kleuterschool en als ik uit school kwam zat hij op mij te wachten. Ik liep met mijn ouwe schoenpoetsloze schoenen, ruiten sokken, gebutste benen met korsten van schaafwonden erop in een korte broek met allerlei dingen erin; een doosje lucifers, elastieken van de postbode, koperen centen met het gezicht van de koningin, een dropje wat ik eens vergeten was en nu in mijn zak vastgeplakt zat, een vergrootglas en stopverf van de werkmannen. Ik was een straatjongen die zijn talent verspilde op de kleuterschool. Rood haar en sproeten. Ik droeg een trui met twee zilveren sheriffsterren. Bij de lagere school aan de overkant kwam een man neuriënd aanlopen met geweldig glimmend gepoetste schoenen en een hoed met een vogelveer. Ik vroeg ‘Bent u een Duitser,’ en zo kwamen we aan de praat. Hij lachte en zei tegen mij ‘Welnee, geloof niet alles wat de mensen zeggen.’ Hij had wel een Duitse hond met bruin en zwart haar en die keek heel wijs. Ik was niet bang en niet voor die hond. Ik was nergens bang voor, behalve voor de rechterhand van mijn vader als mijn moeder had gezegd: ‘Wacht maar tot je vader thuis komt!’

De hond van die meneer klom op commando over het hek van de lagere school, ging zitten en kwam terug en Moppie deed dat ook, zonder dat ik het gevraagd had. Moppie kwam terug en gaf me zijn voetje. De meneer was boos omdat mijn hond dat ook allemaal kon en schreeuwde en deed zijn hond aan de lijn en stapte weg. Wij staken de weg over naar de groenteboer en ik stopte een paar wortels in mijn zak en één in mijn mond uit zijn stal. We gingen naar de slager waar ik een bot haalde voor Moppie.
In de verte liep een meisje uit mijn klas. De eerste keer dat ik haar zag, dacht ik eraan hoe mooi ze was, maar ik dacht ook dat ik nooit verliefd op haar zou worden. Ze vroeg aan mij: ‘Wat een lieve hond, mag ik hem aaien?’ en ik knikte van ja.

Verder openbaarden in mijn jeugd zich de volgende waarheden: Pas op met oversteken en sla als eerste. Die laatste had ik van mijn oom geleerd die veel gevaren had, maar dat is dan weer een heel ander verhaal.