Bard 9

Batavia, Bard 9

Bert van Leeuwen

Sinds hij dat boek had gelezen bleef het hem maar bezig houden, zo boeiend had hij het gevonden. Han de Wit gaat in Ontwikkelingshulp heette het.

En terecht. Het was één grote terechtwijzing geweest, één grote aanklacht en toch eigenlijk heel ontroerend en hier en daarnaast zelfs nogal geestig. Ja, die schrijver Heere Heeresma had daarover allemachtig mooi getuigd. En even voelde hij een hevige begeerte, een groot verlangen dit prachtige werk in zijn armen gekneld bij zich te hebben.

In de werkplaats waren inmiddels beide stagiairs aanwezig, een van hen trachtte een blik verf open te krijgen met haar huissleutel, wat spontaan afbrak en Koosje stond op een stoel en sloeg met een klauwhamer op een geïmpregneerde houten balk die wel een halve meter uit de vulklep van de houtkachel stak. Met tranende ogen van de rook rukte Bard de asla eruit en zag wat ie al dacht. Het rooster onderin was danig verbogen en de gloed was er uit. ‘Zal ik een blikje diesel op het vuur gooien’ stelde Koosje voor. ‘Doe dat nu maar niet. Het is warm genoeg en anders werk je maar wat harder.’

Zuchtend en krakend passeerde een oude vrouw Bard in de werkplaats en ze keek nadrukkelijk de andere kant op. Ze rook naar ammonia en de veters van haar grote witte gympen sleepten achter haar aan. Haar man haalde een pakje Samson uit zijn borstzak en draaide zich een sigaret. Hij spreidde zijn benen langzaam wijdbeens alsof hij op het dek van een olietanker in vliegende storm stond. Hij zei ‘Ik ga minderen met roken’ en hij plakte drie vloeitjes aan elkaar. Bard zei tegen hem: ‘U mag hier niet roken, zo direct vliegt er iets in de brand’ ‘Ja’ zei hij, ‘maar de kachel staat toch ook te roken.’ ‘Goed dat je het zegt, daar had ik niet aan gedacht,’ en Bard keek zuchtend in de richting van de vrouw, terwijl zij naar buiten strompelde en hij hoopte dat hij er snel achteraan ging. Maar meneer vroeg: ‘Slaan jullie ook nog touw?’ Bard pakte een houten korvijnagel en sloeg op een stuk touw. Waarop de man hoofdschuddend over zoveel laakbare onzin naar de uitgang verdween. Bard riep de man na: ‘Zal ik anders ook nog een demonstratie geven hoe pokhout aan z’n naam komt?’

Even later sneed Bard weer opgemonterd, omdat hij ondanks alles het mooiste werk had wat er bestond, roeff, roeff, roeff gauw een gilling voor op het schip. Dat is een houten zeemeerman die de dekopbouw van een schip versiert. Een creatuur die wat bozig voor zich uitstaart om de demonen te weren die schepen uit vroeger tijden omzwerven en tevens de bemanning troost biedt op de reis naar de Oost. Het is een kunst om leven te snijden in een brok hout. Een kunst die Bard als geen ander beheerst in dit landschap van in elkaar stortende gebouwen, waar ooit een bijna volmaakte replica van een spiegelretourschip was gebouwd, die nu inmiddels echt op zijn retour is.

Bard liep terug naar het kantoor om de gebruikelijke huishoudelijke e-mailtjes te checken: wie er jarig was en trakteerde op wat lekkers of wie een boek kwijt was of de nieuwsbrief met de nieuwe opgelegde coronamaatregelen. En toen hij binnen kwam hoorde hij uit de aanpalende ruimte. ‘Bard zou je me even kunnen helpen.’ ’Wat is er aan het handje Fokko.’ ’Het is mijn gulp. Ik krijg de rits niet meer dicht.’ ’En daar heb jij mijn hulp voor nodig. Anders vraag je het even aan die sterspeler van aan de overkant.’ ‘Doe niet zo grappig Bart. Zo direct moet ik naar de wc en dan loop ik voor lul.’ ‘Nou daar hoef jij je gulp niet voor open te laten staan. Kun je anders niet een tangetje pakken …’ Bard stapte het kantoortje van Fokko binnen. ‘Gefopt!!!,’ schreeuwde Fokko hem tegemoet. Uit zijn gulp hing tussen veel wit ondergoed een grote winterwortel. ‘Leuk Fokko daar zal je vrouw gelukkig van worden,‘ terwijl de balkende lach van Fokko in het bedompte kantoortje tot gekmakens toe rondtolde stapte Bard wederom de vrieskou in. ‘Maar ik ga nu aan de koffie.’ Bard liep langs de beeldsnijderij op weg naar de kantine en zong de uitsmijter: ‘In het bos, in het bos wonen indianen. Ze weten niet wat pijlen zijn en schieten met bananen.’ En gauw nog twee paracetamolletjes tegen de opkomende hoofdpijn.

Wordt vervolgd