Bard 8

Jan van Speijk

Jan van Speijk 

Bij de poort van de werf kwam hij Jeweetwel tegen die vroeg waar Steiner was. ‘Steiner die is op de boot.’ ‘De boot,’ echode Jeweetwel als een wensput.

Ja, je weet wel de boot die daar aan de steiger ligt en Bard wees met zijn hand in de richting van de Batavia. ‘Batavia, je kunt het van hieraf zien.’ ‘O, je bedoelt het schip.’ ‘Ik heb een papiertje voor je.’ Bard zocht in de vele zakken van zijn werkbroek en ook in zijn kontzak waar een opschrijfboekje in zat, waar hij al die grappige verhalen in opschreef. En daar was ook een stijf opgevouwen papiertje wat hij zocht en dat gaf hij aan Je weetwel. Jeweetwel las hardop voor wat er op stond en zei: ‘Zie ommezijde’ waarbij hij Bard niet begrijpend aankeek en Bard zei: ‘Nu moet je het papiertje omdraaien,’ en dat deed hij en weer las hij: ‘Zie ommezijde,’ maar nu draaide hij uit eigener beweging het papiertje om, want al doende leert men. En weer draaide hij het papiertje om en weer en weer.

Bard liep weg en dacht die is wel een paar uur bezig. ‘Piep piep piep.’ Verderop probeerde Fokko met een grote rode hamer met een gele steel piketpaaltjes in de snoeiharde grond te slaan, om te duiden waar de schaatsbaan en het luchtkussen met het thema cowboys en indianen moest komen. Het laatste had de werf overgenomen voor weinig van een failliete boedel. ’Hé, Fokko. Der Rudy is ook lekker bezig in de smederij.’ ’Ja, met BHV.’ ’BHV?’ ‘Bedrijfshulpverlening, brandjes blussen, mond op mond. Wat dacht jij dan?’ ’Nou, niets.’ ‘Zoals gebruikelijk,’ waarop Fokko zijn balkende lach over de werf schalde en omdat alles wat nog kon vliegen al verdwenen of dood gevroren was vloog geen gevleugelde medebewoner meer omhoog. Terwijl Bard weg liep hoorde hij weer ‘Piep piep piep,’ lag dat nu aan zijn overspannen fantasie of probeerde Fokko echt met een speelgoedhamer met piepgeluid die paaltjes in de grond te drijven. ‘Piep piep piep.’

Bard liep een bezoeker tegemoet die aan hem vroeg: ‘Werkt u hier?’ Dat kon Bard moeilijk ontkennen en op zulke momenten miste hij de noodstop met de grote rode knop voor domme vragen, die in de smederij hing. De bezoeker zei: ‘Michiel de Ruyter is een ware held, maar mij spreekt Van Speijk toch meer aan, want die ging samen met 125 Portugezen de lucht in.’ Bard formuleerde het zo: ‘In de oorlog tegen België, die maar een paar weken duurde, stonden die 125 Portugezen waarschijnlijk ergens op de kade, maar niet op de kanonneerboot van Van Speijk. Jan van Speijk ging samen met een aantal Nederlanders en een paar Belgen de lucht in.’ Laat ik het niet overdrijven dacht hij, want misschien is het zelf een Belg.

‘Ja maar wel een held.’ ‘Ja’ sprak Bard minzaam: ‘Die heb je in elke oorlog nodig, maar (en nu fluisterde hij) Ik had toch liever gehad, als ik ook op die boot had gezeten dat hij tegen mij gezegd had; Bard zo direct laat ik de boel ontploffen, verlaat rustig dit schip met de rest van de bemanning en zeg alsjeblieft niets tegen die Belgen. Dat had ik een veel beter idee gevonden en dat van ‘Dan liever de lucht in’ is waarschijnlijk bedacht door een copywriter van de KLM, want toen Van Speijk het ruim in ging om met zijn sigaar de lading buskruit tot ontploffing te brengen heeft niemand dat gehoord en wie het wel gehoord heeft kon het niet navertellen.’

‘Maar van die 125 Portugezen, zo heb ik het wel geleerd op school.’ ’Na de ontploffing hebben ze zijn borst terug gevonden en ze konden hem identificeren omdat hij een medaille droeg van de Militaire Willems Orde,’ weerspiegelde Bard ‘maar ja die kunnen ze iedereen wel opspelden na zijn dood. Mij ook en anders jou wel.’

‘Carla Lammers,’ ging de bezoeker verder ‘is dat soms de zus van Frank. Frank Lammers die de hoofdrol speelt in de film Michiel de Ruyter, een geweldige film, ik ga hem denk ik nog maar een keer zien.’ Bard die steeds minder ging geloven in de geestelijke kwaliteiten van deze bezoeker zei: ‘Carla is misschien z’n moeder, maar absoluut niet z’n zus. In 1996 heeft Carla Lammers, de vrouw van Commissaris van Flevoland Han Lammers, de Flevo-aak haar naam gegeven.’

Bard dacht: misschien moet ik maar op ontwikkelingshulp na mijn pensioen wijl hij getroffen was over zoveel onwetendheid. Kwam die gedachte op als poepen door dat gesprek met Jeweetwel of de bezoeker. Nee dat idee ontsproot aan hem nadat hij een boek had gelezen over dit onderwerp van de schrijver Heesman of Heeremans.

 

Wordt vervolgd