‘t Koetshuys

The Beanery

The Beanery, Edward Kienholz

Ik was samen met mijn collega op weg naar een kroeg, die in de volksmond ‘Het Kotshuis’ heet. Een tent die een niet al te beste naam heeft.

We stapten het establishment binnen en ik bestelde twee bier. De kroegbaas zei ‘Het is niet al te druk vandaag.’ ‘Nee’, gaf ik hem als antwoord ‘als je altijd die kutmuziek draait zal het ook nooit veel drukker worden.’

Ik stak maar eens een sigaartje op, in een tijd dat je nog binnen mocht roken, en bestelde een paar biertjes. Ik klopte de as in een bakje met pinda’s. Toen ik mijn vergissing bemerkte roerde ik met mijn vinger door de pinda’s en schoof het bakje in de richting van de andere klanten. Eet nooit uit een bakje met pinda’s in de kroeg, want uit onderzoek is gebleken dat de pinda’s sporen van urine bevatten van mensen die niet hun handen wassen. Dus ik bleef er wijselijk van af.

Mijn kameraad stond net de gokmachine leeg te trekken en op dat moment kwam er een al wat oudere vrouw op mij af. ‘U heb ik hier nog niet eerder gezien’ zei ze. Ik zeg ‘Misschien tien jaar geleden?’ Waarop ze me aankeek als een luiaard die met een schok wakker was geworden, nadat ie uit een boom was gevallen en bemerkte dat ie met z’n pootjes omhoog in een bult olifantenstront lag.

‘Tien jaar geleden?’ herhaalde ze met het geluid van gepofte appel die te lang in de magnetron had gelegen. ‘Ja, ik heb mijn vrouw en mijn twee kinderen vermoord. Ik heb er enorm spijt van, maar ik moest toch voor tien jaar in de gevangenis. Dit is mijn eerste dag dat ik vrij ben. Al die jaren heb ik in de lik gezeten en nu heb ik zin om te neuken, maar het lijkt hier wel een bejaardentehuis’ zei ik, terwijl ik haar aankeek. ‘Ik moet naar het toilet’ murmelde ze. ‘Zal ik een stukje met je mee lopen’, maar dat aanbod sloeg ze met een bruuske beweging van haar handtas af en ze ging op een holletje naar het toilet.

Dat hele verhaal van de gevangenis was natuurlijk allemaal maar verzonnen, maar ik had dan ook weinig zin in een praatje met zo’n ouwe toverkol. Voor dat je het weet zit je de hele avond versteend aan de bar naar borrelpraat uit de ouwe doos te luisteren en somt ze haar heldendaden uit de Boerenoorlog op.

Toen ik buiten kwam stond mijn collega, die inmiddels mijn vriend was geworden, zijn kont te flossen met een bontsjaaltje wat hij van een meisje had afgenomen en herhaalde keer op keer ‘Ik ben tegen dierenleed’, en zo sloten wij deze avond af.